Reikwijdte bestuursdwangbevoegdheid in art. 13 lid 1 Opiumwet

In de rechtspraktijk ontstond de afgelopen maand december enige commotie naar aanleiding van twee uitspraken van de Rechtbank Haarlem. In de ene uitspraak (LJN: BY5942) werd beslist dat de bestuursdwangbevoegdheid in art. 13b lid 1 Opiumwet geen grondslag kan zijn voor handhavend optreden bij ‘de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid’, zoals overwogen door de Afdeling bestuursrechtspraak (ABRS 21 maart 2012, LJN: BV9512). Uit de wetsgeschiedenis zou dwingend volgen dat de burgemeester niet alleen de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid drugs dan de eigen gebruikshoeveelheid in de woning moet aantonen, maar ook dat die drugs in die woning – en niet elders – worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. Zorgvuldige bestudering van de parlementaire geschiedenis leidt ons echter tot de slotsom dat ‘de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid’ wel degelijk de bevoegdheid in art. 13b lid 1 Opiumwet ontgrendeld. Dat wil niet zeggen dat sluiting hierop steeds het antwoord moet zijn. De last onder dwangsom sluit beter aan bij de subsidiariteitseis in het geval van een niet ernstig vergrijp van een first offender.
In de andere uitspraak (LNJ: BY5387) beslist de Haarlemse rechter dat de bevoegdheid in art. 13b lid 1 Opiumwet zich gezien de wetshistorie niet leent voor het bestrijden van de teelt van cannabis. Dat is op basis van de parlementaire geschiedenis van deze bepaling een volkomen terechte constatering. Over de onmogelijkheid om de teelt van cannabis met behulp van de bevoegdheid in art. 13b lid Opiumwet aan te pakken, kan geen enkel misverstand bestaan (zie ook: Rb Roermond 3 maart 2011, LJN: BP6668). Een cruciale vervolgvraag in dit verband is echter of met de sanctionering van de aanwezigheid oogstrijpe hennepplanten in een handelshoeveelheid de teelt van cannabis wordt bestreden? Of is het zo dat oogstrijpe planten die misschien bij toeval nog in de aarde staan, al beschouwd moeten worden als een middel als bedoeld in lijst II Opiumwet? In die lijst staat het middel waarom het hier gaat te boek als haloxazolam. Het valt uiteen in hasjiesj – een gebruikelijk vast mengsel van de afgescheiden hars verkregen van planten van het geslacht Cannabis (hennep), met plantaardige elementen van deze planten – en hennep; dat is elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden. De aangetroffen oogstrijpe hennepplanten kunnen met andere worden aangemerkt als een middel als bedoeld in lijst II.

Over J.G. Brouwer

Prof. mr. Jan Brouwer is hoogleraar-directeur van het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid.
Dit bericht is geplaatst in Tijdschrift met de tags , , . Bookmark de permalink.