Rechter op stoel van wetgever?

Het vonnis van de Rechtbank Noord Nederland van 16 oktober 2014 inzake het hennep telende echtpaar oogst lof, maar ook kritiek. De rechter meet zich met de schuldigverklaring zonder strafoplegging de status van wetgever aan, aldus een enkeling. Is die kritiek – die inmiddels door de Telegraaf is overgenomen – gefundeerd?
De wetgever stelt algemeen verbindende voorschriften op. Zodanige regels richten zich niet tot met name genoemde personen, maar gelden algemeen voor iedereen. Art. 3 Opiumwet is zo’n voorschrift. Het bevat een verbod om wat dan ook te doen met hennep.
Het bestuur past de algemene regels in individuele gevallen toe. Een burger die het verbod negeert, kan er in beginsel op rekenen door het bestuursorgaan OM strafrechtelijk te worden vervolgd. In de beleidsregels van het OM – de Aanwijzing Opiumwet – staan echter een paar uitzonderingen. Het OM valt bijvoorbeeld een coffeeshopondernemer die de gedoogcriteria respecteert niet lastig.
Het is bij uitstek de taak van de strafrechter om te beoordelen of de individuele verdachte daadwerkelijk het verbod van de wetgever in art. 3 Opiumwet overtreedt, zoals tenlastegelegd door het bestuursorgaan OM.
De strafrechter beantwoordt die vraag in de zaak van het Groningse echtpaar bevestigend. Vervolgens moet de strafrechter – en niemand anders – de hoogte van de straf te bepalen. De bijzondere omstandigheden waaronder het echtpaar hennep kweekt, zijn voor de strafrechter reden om in dit concrete en individuele geval geen straf op te leggen. Die mogelijkheid biedt de wetgever de strafrechter in art. 9a Wetboek van strafrecht.
Van het veronachtzamen van de leer van de machtenscheiding is derhalve geenszins sprake, de kritiek is niet alleen onbegrijpelijk, maar ook misplaatst.

Over J.G. Brouwer

Prof. mr. Jan Brouwer is hoogleraar-directeur van het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid.
Dit bericht is geplaatst in Tijdschrift. Bookmark de permalink.