Het verbieden van clubs en verenigingen: van Hell’s Angels tot Martijn

T. Minovic

1. Inleiding
Na ruim dertig jaar is er een einde gekomen aan het bestaan van de Vereniging Martijn. Zij werd opgericht in 1982 door een veroordeelde pedoseksueel met als doel ‘het bespreekbaar maken van – en het streven naar wettelijke en maatschappelijke acceptatie van ouderen -jongeren relaties’ in de zin van seksuele relaties. Zij pleitte daarom voor verlaging van de wettelijke leeftijdsgrens voor seksueel contact tussen kinderen en volwassenen.
Op de website van Martijn stonden foto’s van gedeeltelijk ontblote kinderen. Ook kon men er erotisch getinte verhalen en gedichten over kinderen op vinden. Op de site stond echter geen kinderpornografie, noch faciliteerde de vereniging de mogelijkheid voor haar leden om kindermisbruik te plegen. Integendeel, bezoekers werd op het hart gebonden geen strafbare feiten te begaan.
Het Openbaar Ministerie (OM) deed meerdere malen onderzoek naar de vraag of de vereniging zich schuldig maakte aan strafbare feiten. Steeds bleek hiervan geen sprake. Desondanks begon het OM in 2011 een procedure tegen Vereniging Martijn, waarin zij ontbinding en verbodenverklaring van de vereniging vorderde. Het OM stelde zich op het standpunt dat de vereniging ‘kinderen bedreigt in hun lichamelijke, emotionele en seksuele integriteit en hun rechten en vrijheden aantast’. Dit zou in strijd zijn met de openbare orde.
Op 18 april 2014 leidde dit tot een beschikking van de Hoge Raad waarin Martijn werd verboden en ontbonden met als reden dat haar werkzaamheden in strijd zijn met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW. Dit roept de vraag op: wanneer is er sprake van werkzaamheden die in strijd zijn met de openbare orde? En hoe ernstig moet die strijd zijn om te kunnen leiden tot verbodenverklaring en ontbinding van een vereniging?

2. Wettelijk criterium

Op verzoek van het OM kan de rechter een rechtspersoon verbieden of ontbinden op grond van art. 2:20 BW, indien zijn werkzaamheden in strijd zijn met de openbare orde. Ontbinding en verbodenverklaring maakt in dit geval fors inbreuk op de verenigingsvrijheid zoals beschermt door art. 8 GW en art. 11 EVRM. Om die reden stelt de regering bij de totstandkoming van art. 2:20 BW dat de rechter slechts in uiterste gevallen een verbod en ontbinding mag uitspreken. Er zou sprake moeten zijn van ‘inbreuk op de algemeen aanvaarde grondvesten van ons rechtsstelsel’(Kamerstukken II, 17476, 5, p.3.
Als voorbeelden noemt de regering: geweld en bedreiging tegen openbaar gezag of tegen derden met andere opvattingen en rassendiscriminatie. Volgens de regering hebben al deze voorbeelden gemeen dat zij een aantasting inhouden van de als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel die, indien op grote schaal toegepast, ontwrichtend zou werken voor de samenleving (Kamerstukken II, 17476, 5, p. 3)
In de zaak tegen de Hell’s Angels werkt de Hoge Raad dit criterium verder uit. In die zaak verzocht het OM om ontbinding en verbodenverklaring van de motorrijdersclub, omdat er sprake zou zijn van criminele activiteiten van haar (bestuurs)leden. Het merendeel van de bestuursleden bleek een strafblad te hebben. De vraag die centraal stond was of de individuele criminele activiteiten aangemerkt konden worden als een werkzaamheid van de vereniging. En als dat het geval was, of die werkzaamheid zodanig in strijd was met de openbare orde dat de rechter de vereniging zou moeten verbieden.
Om van een werkzaamheid van de vereniging te kunnen spreken moet er binnen die vereniging sprake zijn van een structurele situatie en cultuur van het begaan van met de openbare orde strijdige handelingen, zoals het plegen van strafbare feiten. Uit het gebruik van het woordje ‘zoals’ valt af te leiden dat de categorie ruimer is dan strafbare feiten.Voor het aantonen van een dergelijke cultuur heeft het OM onvoldoende bewijs aangedragen, te meer daar een verbodenverklaring en ontbinding slechts als ultimum remedium mag worden toegepast. De Hoge Raad beslist dat het moet gaan om ‘gedragingen die een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtstelsel en die onze samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten´ (HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124 r.o. 3.3.

3. Hof over Martijn

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deelt de opvatting van het OM dat de vereniging steun biedt aan de overtuiging van haar leden dat seksueel contact tussen kinderen en volwassenen goed kan zijn voor het welbevinden van het kind. Het hof is daarom, net als het OM, van mening dat de vereniging de gevaren van seksueel contact met kinderen bagatelliseert, dergelijke contacten goedpraat, en ze zelfs verheerlijkt (Hof Leeuwarden 12 december 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BB9782 r.o. 4.18 en 4.19). Op grond hiervan oordeelt het hof dat de werkzaamheid van de vereniging een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormt van het als wezenlijk ervaren beginsel dat de lichamelijke en seksuele integriteit van het kind dient te worden beschermd.
Het hof komt echter ook tot de conclusie dat niet voldaan wordt aan het ontwrichtingscriterium uit het Hell’s Angels-arrest. Het hof stelt dat art. 2:20 BW de samenleving behoort te beschermen en niet de specifieke belangen van kinderen. Deze belangen worden immers al beschermd door strafrechtelijke bepalingen, die in deze zaak niet aan bod komen. De samenleving dient bepaalde (verafschuwde) opvattingen van minderheden te accepteren, omdat dit in het belang is van de democratie. Er dient ruimte te zijn voor maatschappelijke debatten, ongeacht het feit dat de meerderheid van de bevolking deze opvattingen verwerpelijk acht. Volgens het hof is gebleken dat onze samenleving ‘voldoende weerbaar’ is tegen opvattingen als die van de Vereniging Martijn.

4. Hoge Raad over Martijn

Het OM stelt dat niet vereist is dat de werkzaamheid van de vereniging daadwerkelijk leidt tot ontwrichting of tot dreiging van ontwrichting. Voldoende is als de werkzaamheid kan leiden tot ontwrichting. De Hoge Raad herhaalt bij de beoordeling van dit onderdeel het criterium uit het Hell’s Angels-arrest. ‘Het moet gaan om meer dan uit maatschappelijk oogpunt ongewenst gedrag. De verbodenverklaring dient te worden gezien als een noodzakelijke maatregel om gedragingen te voorkomen die een daadwerkelijke en ernstige aantasting zijn van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die onze samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten’ (HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948 r.o. 3.5).
De Hoge Raad stelt voorop dat art. 2:20 lid 1 BW in het licht van art. 7 Gw en art. 10 EVRM, respectieveliijk art. 8 Gw en art. 11 EVRM dient te worden uitgelegd. Deze bepalingen beschermen het recht op vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging. Art. 7 Gw kan worden beperkt ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’ en art. 8 Gw kan worden beperkt in het belang van de openbare orde. Zowel art. 10 en 11 EVRM kunnen worden beperkt indien die beperking i) voorzien is bij de wet en ii) in een democratische samenleving noodzakelijk is iii) in het belang belang van limitatief omschreven gronden, waaronder de bescherming van de gezondheid, goede zeden of de bescherming van rechten en vrijheden van anderen (HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948 r.o. 3.6).
Aan de eerste voorwaarde is volgens de Hoge Raad voldaan. Als de vereniging op grond van art. 2:20 BW wordt ontbonden, dan is dit op grond van een uitdrukkelijke wetsbepaling die met voldoende precisie is geformuleerd, en voldoende basis biedt om willekeur te voorkomen.
Om aan de tweede voorwaarde te voldoen moet de rechter nagaan of de beperking van de onderhavige fundamentele vrijheid haar grond vindt in een ‘pressing social need’, of de inbreuk proportioneel is aan het daarmee nagestreefde wettige doel, en of de gehanteerde gronden terzake dienend en toereikend zijn. Daarbij kijkt de rechter naar de werkzaamheden van de vereniging en naar de kennelijke bedoeling van de uitingen en de gevolgen hiervan. Hierbij stelt de Hoge Raad dat volgens het EHRM niet vereist is dat de vereniging een gevaar vormt voor de openbare orde (EHRM 9 juli 2013, 35943/10).
Bij het vaststellen of er sprake is van een onder iii genoemde grond gebruikt de Hoge Raad verschillende bronnen van internationale regelgeving. Zo kijkt de Hoge Raad ondermeer naar het Verdrag van Lanzarote, een aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa en een Europese richtlijn over bestrijding van kindermisbruik.Uit dit alles blijkt dat Nederland zich internationaal heeft verplicht kindermisbruik op alle mogelijke manieren tegen te gaan.
Hieruit volgt dat het niet noodzakelijk is dat de samenleving daadwerkelijk wordt ontwricht om te concluderen dat de werkzaamheid van de vereniging in strijd is met de openbare orde. Volgens de Hoge Raad had het hof aan de hand van het EVRM moeten onderzoeken of de verbodenverklaring en ontbinding van de vereniging in een democratische samenleving noodzakelijk was met het oog op de bescherming van de gezondheid of de openbare orde of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948 r.o. 3.10).
Ten slotte doet de Hoge Raad de zaak zelf af. Het hof heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de werkzaamheid van Vereniging Martijn een daadwerkelijke en ernstige aantasting is van het wezenlijk beginsel dat de lichamelijke en seksuele integriteit van het kind dient te worden beschermd. Hoewel er in beginsel grote terughoudendheid moet zijn bij de verbodenverklaring en ontbinding van een vereniging, oordeelt de Hoge Raad dat hier sprake is van uitzonderlijke ernstige aard van de werkzaamheid van Vereniging Martijn. Dit mede aangezien Nederland zich internationaal heeft verplicht kindermisbruik tegen te gaan. Kinderen behoeven immers bescherming tegen volwassenen gezien hun afhankelijke positie ten opzichte van volwassenen. Volgens de Hoge Raad is het in onze democratische samenleving noodzakelijk dat de vereniging wordt verboden en ontbonden met het oog op het belang van de rechten en vrijheden van kinderen.

5. Kritiek op beschikking

Verschillende auteurs hebben kritisch gereageerd op de uitspraak van de Hoge Raad. Brouwer en Molier voeren aan dat de Hoge Raad in deze zaak niet het criterium van strafbaar gedrag heeft gehanteerd. In de wetsgeschiedenis zijn de voorbeelden op grond waarvan een rechtspersoon ontbonden kan worden, telkens strafbare gedragingen. In § 2 zagen we al geweld en discriminatie aangehaald worden.
Wat betreft het ontwrichtingscriterium uit het Hell’s Angels-arrest, is het bijzonder te zien dat de rechtbank hier geen aansluiting bij zoekt. Bij het hof wordt dit wel als voorwaarde gesteld en omdat hiervan geen sprake is bij Vereniging Martijn, kan dit volgens het hof niet leiden tot ontbinding. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof het criterium uit het Hell’s Angels-arrest verkeerd heeft toegepast. De Hoge Raad vult het ontwrichtingscriterium in/aan met het noodzakelijkheidsvereiste in de zin van art. 10 en 11 EVRM.
Zoals Brouwer en Molier beschrijven, is hiermee de drempel voor het verbieden van een vereniging verlaagd. Dit zorgt voor strijdigheid met de wetsgeschiedenis, aangezien de wetgever heeft beoogd dat de ontbinding en verbodenverklaring met grote terughoudendheid moet worden toegepast. De verlaging van de drempel is ook in strijd met art. 53 EVRM, waarin is neergelegd dat het nationale recht prevaleert indien dit meer bescherming biedt dan het verdragsrecht (HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948 m.nt. J.G. Brouwer en G. Molier onder 10).
Als we vervolgens kijken naar de beperkingssystematiek van de Grondwet dan zien we dat art. 8 Gw alleen mag worden beperkt bij wet. ‘Bij wet’ heeft uiting gekregen in art. 2:20 BW. In dit artikel worden de gronden herhaald zoals ze vermeld staan in art. 8 Gw, namelijk in het belang van de openbare orde. Dit is een open norm en staat op gespannen voet met de grondwettelijke beperkingssystematiek, omdat de rechter bij het invullen van deze norm alle vrijheid heeft en nauwelijks wordt geleid door de wetgever. Dit werd voorheen opgelost door als criterium te hanteren ‘een structureel patroon van strafbare feiten’. Dan is het immers weer de wetgver die de keuze maakt. Doordat de rechter in deze zaak de vereniging ontbindt en verboden verklaart zonder dat er sprake is van strafbare gedragingen, treedt de rechter eigenmachtig op (HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948 m.nt. J.G. Brouwer en G. Molier onder 13).
De Hoge Raad baseert zijn beschikking niet op de beperkingensystematiek van de Grondwet, maar op de beperkingensystematiek van het EVRM. Het hof had volgens de Hoge Raad moeten kijken of het verbod en de ontbinding noodzakelijk waren in een democratische samenleving. Deze redenering van de Hoge Raad is volgens Broeksteeg opmerkelijk. Het EVRM en de jurisprudentie van het Straatburgse Hof maken duidelijk wat de marge is waarbinnen de nationale rechter mag handelen. De jurisprudentie van het Hof heeft een subsidiair karakter. Het EVRM geeft aan de nationale rechters een ‘margin of appreciation’ waarbinnen een nationale rechter moet handelen. De lidstaat mag, indien dit wenselijk wordt geacht, strengere criteria stellen dan het Hof dit doet. Dit vloeit voort uit de gedachte dat de nationale rechter zich in een betere positie bevindt om te beoordelen wanneer de nationale grondrechten worden geschonden (HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948 m.nt. J.L.W. Broeksteeg onder 4).

6. Nadere overwegingen

In de conclusie van A-G Timmerman en in de beschikking van de Hoge Raad is duidelijk de nadruk gelegd op de bescherming van kinderen tegen seksueel misbruik. In de conclusie wordt ook vanuit wetenschappelijk oogpunt de psychische schade benadrukt die jonge kinderen kunnen oplopen als gevolg van seksueel contact met volwassenen. Kinderen kunnen hierdoor een levenslange trauma met zich meedragen. Niemand zal dit betwisten, maar het doel van art. 2:20 BW is niet het beschermen van kinderen, dat doet het strafrecht.
De Hoge Raad wijkt af van de vóór deze zaak gehanteerde lijn bij de invulling van art. 2:20 BW. Ik vraag mij af of de reden hiervoor is dat het in casu gaat om kinderen, en het dus in dit geval gewenst is om de vereniging te verbieden en te ontbinden. Het lijkt erop dat zowel de A-G als de Hoge Raad eerst hebben gekeken naar de gewenste uitkomst in deze zaak en vervolgens hebben gekeken naar de motivering die bij de uitkomst zou passen. De Hoge Raad lijkt namelijk geen afstand te willen doen van het Hell’s Angels criterium, maar deze rekkelijker, flexibeler, te maken.

7. Slot

Vaststaat dat de werkzaamheid van Vereniging Martijn niet als strafbaar gedrag kan worden aangemerkt. Natuurlijke personen zouden dezelfde uitlatingen als die van Vereniging Martijn op dit moment straffeloos kunnen doen. De vrijheid van meningsuiting is hiermee voor verenigingen kleiner geworden dan die van een natuurlijke personen. Dat is een merkwaardig gevolg van de beschikking.
Er moet sprake zijn van een inbreuk op algemeen aanvaarde grondvesten van ons rechtsstelsel. Volgens de Hoge Raad is hieraan in de zaak van Vereniging Martijn voldaan nu het gaat om de rechten en vrijheden van kinderen. De werkzaamheid van de vereniging wordt met behulp van invulling van EVRM-normen in strijd met de openbare orde geacht. Van ontwrichting of dreiging van ontwrichting hoeft niet te blijken. Het lijkt erop dat er een precedent is geschapen met minder strenge criteria dan in het Hell’s Angels-arrest. De werkzaamheid moet zo ernstig zijn dat in een democratische samenleving het verbod en de ontbinding noodzakelijk is. Het ontwrichtingscriterium is dus veranderd in het noodzakelijkheidscriterium. Het is nog maar de vraag hoe dit in de toekomst zal worden toegepast en welke andere rechtspersonen het riscio zullen gaan lopen ontbonden te worden vanwege hun afwijkende standpunten.
De Vereniging Martijn nam standpunten in die door de meerderheid van de bevolking als verwerpelijk worden gezien. In een pluriforme en democratische samenleving moeten we opvattingen van andersdenkenden echter toleren, ook al stroken die niet met wat als moreel aanvaardbaar wordt aangemerkt. Het is de taak van de rechter om voor de tirannie van de meerderheid te waken en ruimte te laten voor verenigingen die weliswaar afwijkende doelen nastreven, mits het niet gaat om het oproepen tot het plegen van geweld of andere strafbare feiten.

 

Over J.G. Brouwer

Prof. mr. Jan Brouwer is hoogleraar-directeur van het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid.
Dit bericht is geplaatst in Tijdschrift. Bookmark de permalink.