De coronacrisis en het recht (deel 22)

De coronapas en onze grondrechten

J.G. Brouwer

Artikel 22 Grondwet verplicht de overheid tot het treffen van maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid. Om mensen te behoeden voor het covid19 virus, heeft de overheid nu 12 miljoen mensen kosteloos twee vaccinaties laten toedienen. Ervan uitgaande dat dit voorlopig voldoende bescherming biedt, zijn beperkende maatregelen met betrekking tot dit deel van de bevolking niet meer noodzakelijk.

Er zijn echter nog steeds zo’n slordige 5 miljoen mensen niet of onvolledig gevaccineerd. Voor die personen zijn er nog wel beschermingsmaatregelen noodzakelijk. De coronapas en het verplichte testbewijs voor toegang van sommige van de voor-publiek-toegankelijk-plaatsen is daartoe een eerste aanzet.

In andere landen gaat men al verder. Italië nam gisteren een wet aan die het voor alle werkgevers per 15 oktober aanstaande mogelijk maakt ongevaccineerde werknemers op de werkvloer te weigeren en de loonbetaling op te schorten.

Of het in ons land zo ver gaat komen, hangt ervan af in hoeverre ongevaccineerde mensen genegen zijn beperkingen in acht te nemen. Die bereidheid lijkt niet erg groot. Een deel van hen loopt nu al te hoop tegen de coronapas.

Die zou in strijd zijn met verschillende grondrechten: het recht op gelijke behandeling (artikel 1 Grondwet), de vrijheid van godsdienst (artikel 6 Grondwet) en het recht op onaantastbaarheid van het lichaam (artikel 11 Grondwet).

Van het beperken van deze grondrechten is echter geen sprake, nu er geen dwang tot vaccineren plaatsvindt. En van ongelijke behandeling van personen in gelijke gevallen al evenmin. Er worden slechts eisen gesteld aan de toegang tot niet-noodzakelijk te bezoeken plaatsen. De mogelijke inbreuk op grondrechten is derhalve terug te voeren op expliciete toestemming van de betrokken persoon.

Vriend en vijand in het parlement zijn het hierover eens. Niemand in de Tweede Kamer voerde het procedurele argument aan dat nieuwe wetgeving van regering en Staten-Generaal nodig is om grondwettelijk beschermde grondrechten te beperken. De coronapas wordt geregeld in een ministeriële regeling: de ‘Tijdelijke regeling maatregelen covid-19’.

Het enige grondrecht dat daadwerkelijk speelt, is de bewegingsvrijheid zoals beschermd door artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Die vrijheid  kan echter worden beperkt, althans als de in het  derde lid van deze bepaling gestelde voorwaarden in acht worden genomen: (a) een regeling; (b) voor de bescherming van de gezondheid en (c) die noodzakelijk is in een democratische samenleving.

Dit betekent dat de regering de noodzakelijkheid zal dienen te staven met cijfers. Wat gebeurt er als een deel van de niet-gevaccineerde personen alsnog in ziekenhuizen terecht komt? Die rekensommen zijn vast gemaakt. Hieruit moet voortvloeien dat er zonder de maatregel van de coronapas patiënten zullen zijn die niet over de noodzakelijke medische bijstand kunnen beschikken.

Is er dan helemaal geen kritiek mogelijk op de coronapasmaatregel? Zeker wel, de reikwijdte van de maatregel beperkt zich tot slechts enkele voor-publiek-toegankelijke-plaatsen: horecagelegenheden, theaters, stadions, evenemententerreinen en bioscoop.

Voor gebedshuizen als kerken en moskeeën geldt de maatregel niet. De regering voert als argument aan dat hiervoor een wijziging van de Coronawet nodig is. Het zou de godsdienstvrijheid beperken. Maar dat is geen dragend argument. Juist omdat die plaatsen door veel ongevaccineerden worden bezocht, is er reden om de wet te wijzigen.  

Dit bericht is geplaatst in Tijdschrift. Bookmark de permalink.