Coronacrisis en het recht (deel 7)

De noodverordening vanaf 6 april

A.J. Wierenga en J.G. Brouwer

Vorige week dinsdag besloot het kabinet de eerder afgekondigde maatregelen te verlengen tot 28 april aanstaande. De noodverordening van 2 april die aanvankelijk tot 6 april van kracht zou zijn, kan daarom ongewijzigd voortbestaan. En omdat die geen expiratiedatum kent, hoeft zij ook niet opnieuw te worden vastgesteld. Toch zijn daar inhoudelijk goede redenen voor.

Formeel is er geen sprake van één noodverordening, maar hebben alle 25 veiligheidsregio’s ieder voor hun rechtsgebied een eigen, maar goeddeels identieke noodverordening ingevoerd aan de hand van een door de minister ontwikkeld model. Het gevolg hiervan is dat zelfs de uitzondering op het verbod van samenkomen voor de Staten-Generaal ook in de noodverordening staat van 24 veiligheidsregio’s waar het parlement nog nooit vergaderde en dat hoogstwaarschijnlijk ook nooit zal doen.

In de noodverordening staan voorschriften die minutieus dienen te worden nageleefd, anders hebben ze bij het zo besmettelijke Coronavirus weinig of geen zin. De formulering van de voorschriften moet daarom eenvoudig zijn. Burgers moeten bij eerste lezing begrijpen wat wel en wat niet mag. Dat is nu niet steeds het geval, hetgeen overigens gezien de snelheid waarmee de noodregels moesten worden ontworpen en de complexiteit van het probleem allesbehalve verwijtbaar is.

We nemen de vrijheid om een drietal suggesties te doen voor de wat ons betreft belangrijkste onderdelen van de noodverordening.

Het verreweg meest cruciale verbod staat op diverse plekken verscholen in de noodverordening. Het zou een sterke verbetering zijn als de noodverordening zou openen met : ‘Een ieder is verplicht om te allen tijde in de publieke ruimte 1.5 meter afstand van elkaar te houden.’ Het tweede lid kan dan een heldere uitzondering bevatten voor personen van dezelfde huishouding en kinderen tot 12 jaar, zonder de afstandseis voor toezichthoude ouders te herhalen. 

In de noodverordening staat een ingewikkelde, onleesbare en tegenstrijdige definitie van het begrip samenkomst. Het verbod kan bovendien eenvoudiger: ‘Het is verboden een samenkomst te organiseren of hieraan deel te nemen, ongeacht de locatie ervan.’ In het tweede lid kunnen uitzonderingen staan. Zonder de afstandseis te herhalen, die staat al in art. 1. Het ligt in de rede om dit verbod te koppelen aan een maximum aantal deelnemers. Voor de geloofwaardigheid van de handhaving maakt het een verkeerde indruk als we op de televisie dagdagelijks getuige zijn van samenkomsten tijdens bijvoorbeeld praatprogramma’s en persconferenties.

In de noodverordening lijkt sprake te zijn van een groepsverbod, maar bij herlezing blijkt dat niet het geval. Er mogen groepen worden gevormd zo omvangrijk als men maar wil. De enige eis is dat men de onderlinge afstandseis in acht neemt. Een zodanig geformuleerd voorschrift staat haaks op het verbod van samenkomsten. Groepsvorming mag, samenkomsten niet. In het kader van de handhaafbaarheid is het niet onverstandig beide toe te staan onder twee voorwaarden: een maximum aantal deelnemers en voorzorgsmaatregelen in verband met de afstandseis en andere noodzakelijk hygiënemaatregelen.

Die laatste eis is vanzelfsprekend de meest wezenlijke. Onder die voorwaarde staat de noodverordening ook winkelen en marktbezoek toe. In het kader van de handhaafbaarheid van de noodverordening is het verstandig na te denken over hoe we om op den duur de afstandseis en hygniënemaateregelen als enige voorwaarde kunnen hanteren voor bijvoorbeeld ook horecagelegenheden en evenemententerreinen. Een categorisch verbod op deze activiteiten voegt bij voldoende zelfdiscipline te weinig toe.

Tot slot in dit verband, hier en daar wordt de suggestie gewekt dat lokale burgemeesters op dit moment nog eigen rampenbestrijdingsmaatregelen kunnen treffen op basis van de APV. Dat is niet het geval. Alle maatregelen dienen teruggevoerd te kunnen worden op besluitvorming van de Minister van VWS. Die heeft de regie en de coördinatie volgens art. 7 Wet publieke gezondheid. De voorzitters van de veiligheidsregio implementeren zijn aanwijzingen, ‘bij uitsluiting’ van de burgemeester. Lokale burgemeesters moeten pas op de plaats maken. Voor de rechtszekerheid van burgers is het bij een landelijke crisis noodzaak dat er sprake is van uniforme regelgeving. Niet alleen op het niveau van de veiligheidsregio, maar van het gehele land.

Dit bericht is geplaatst in Tijdschrift. Bookmark de permalink.