Coronacrisis en het recht (deel 1)

A.J. Wierenga & J.G. Brouwer

Inleiding

De verspreiding van het Coronavirus (COVID-19) brengt heel veel vragen met zich mee van diverse aard. Ook juridische. Wie trekt aan de touwtjes in deze coronacrisis? Is dat de Minister van VWS of zijn dat de voorzitters van de veiligheidsregio’s? En spelen de burgemeesters van gemeenten ook nog een rol? Er zijn immers dit weekend tal van noodverordeningen uitgevaardigd. Wie heeft op welke grond de bevoegdheid om bijeenkomsten en evenementen met meer dan 100 personen te verbieden? Vallen daar ook demonstraties en godsdienstige samenkomsten onder? Wie heeft de bevoegdheid om scholen te sluiten, restaurants, fitnesscentra en sportaccommodaties? Wat is de reikwijdte van deze besluiten? En hoe wordt hieraan uitvoering gegeven? En ten slotte, wordt het geen tijd om de nationale noodtoestand af te kondigen zoals dat in de VS en bijvoorbeeld Spanje is gebeurd? We zullen deze en andere vragen de komende dagen op deze site gaan beantwoorden. We beginnen vanmorgen met de vraag wie wanneer aan zet is in deze coronacrisis.

De bevoegdheden van de Minister van medische zorg, voorzitters van veiligheidsregio’s en burgemeesters

Als het gaat om de preventie en bestrijding van infectieziektes dan is de Wet publieke gezondheid (Wpg) van groot belang. Die wet kent een indeling van ziektes die is gebaseerd op de mate waarin dwingende maatregelen opgelegd kunnen worden om de bevolking te beschermen. Infectieziekten vallen in groep A, B1, B2 of C. Het verbaast niet dat het Coronavirus (COVID-19) is ingedeeld in de hoogste categorie: groep A. Onder dwingende maatregelen vallen eenzijdige besluiten – dat wil zeggen ook tegen de wil van de patiënt – als opname tot isolatie in een ziekenhuis, thuisisolatie, medisch onderzoek, quarantaine met medisch toezicht als ook een verbod van beroepsuitoefening.

 Art. 7 lid 1 Wpg bepaalt dat de Minister van VWS (Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport) de leiding heeft bij de bestrijding van een infectieziekte uit groep A. Deze minister wordt bijgestaan door het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM. Binnen dit Centrum is de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) bij een uitbraak van infectieziekten verantwoordelijk voor (a) de inhoudelijke advisering van overheid en professionals over hoe deze uitbraak het beste kan worden bestreden en (b) voor de implementatie van het landelijke beleid. Hiertoe wordt een Outbreak Management Team (OMT) geformeerd waarvan (medische) professionals deel uitmaken. Alvorens de adviezen van het OMT te implementeren, vraagt de minister het Bestuurlijk Afstemmingsoverleg (BAO) er zijn licht over te laten schijnen. Het BAO wordt voorgezeten door de Directeur-Generaal Volksgezondheid (DGV) van het ministerie van VWS. Deelnemers zijn ambtenaren van de betrokken ministeries, afgevaardigden van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), GGD, GHOR Nederland, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de directeur CIb en de secretaris van het OMT. Uiteindelijk draagt de voor infectieziektebestrijding verantwoordelijke minister de voorzitters van de veiligheidsregio’s de door hem besloten maatregelen uit te voeren.

Art. 6 lid 4 Wpg bepaalt dat de voorzitter van de veiligheidsregio bij een infectieziekte uit groep A belast is met de uitvoering van de bestrijdingsmaatregelen. Hiertoe kent de Wet publieke gezondheid hem bevoegdheden toe. In art. 35  staat dat de voorzitter van de veiligheidsregio een persoon onverwijld kan doen onderwerpen aan de maatregel van quarantaine om de verspreiding van infectieziekten behorend tot groep A tegen te gaan. Artikel 38 bepaalt dat de voorzitter van de veiligheidsregio aan een persoon die gevaar oplevert voor de verspreiding van een infectieziekte behorend tot groep A het verbod kan opleggen om beroeps- of bedrijfsmatig werkzaamheden te verrichten, die een ernstig risico inhouden voor de verspreiding van die infectieziekte. Art. 47 lid 3 Wpg bepaalt dat in het geval van een besmetting waarbij ernstig gevaar dreigt voor de volksgezondheid, de voorzitter gebouwen of terreinen dan wel gedeelten daarvan kan sluiten. De voorzitter kan ook andere maatregelen treffen op grond van zijn bevoegdheden in de Wet veiligheidsregio’s. Waar zijn maatregelen zien op de bestrijding van de infectieziekte dient de uitoefening van deze bevoegdheden steeds in lijn te zijn met de instructies van de minister van Medische zorg. Ter naleving van zijn besluiten beschikt de voorzitter over een bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. Voorts wordt op overtreding van zijn besluiten straf bedreigd.

Heeft de burgemeester dan nog een taak bij de bestrijding van infectieziekte op grond van de Wet publieke gezondheid? Ja, maar uitsluitend en alleen als het een infectieziekte betreft uit de groepen b of c. Wel is de burgemeester belast met de onmiddellijke handhaving van de openbare orde. Die kan in gevaar komen als gevolg van ongeregeldheden bijvoorbeeld bij onenigheid over het hamsteren van goederen. Of wanneer de afgekondigde overheidsmaatregelen worden genegeerd of tot bijvoorbeeld tot protestacties leiden.

Art. 39 Wet veiligheidsregio’s bepaalt echter dat de voorzitter van de veiligheidsregio de bevoegdheden ter handhaving van de openbare orde van lokale burgemeesters in zijn veiligheidsregio overneemt, wanneer hij door het bijeenroepen van een regionaal beleidsteam opschaalt naar de Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdings Procedure van het type 4. In jargon GRIP4, waarbinnen is geregeld hoe de coördinatie tussen hulpverleningsdiensten verloopt. In deze procedure is de centrale gedachte dat grotere incidenten meer onderling gecoördineerd afgehandeld moeten worden.

Het opschalen naar een GRIP4 situatie kan alleen in geval van een ‘ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis’. Art. 1 Wvr bepaalt dat een ramp een zwaar ongeval is of een andere gebeurtenis waarbij het leven en de gezondheid van veel personen, het milieu of grote materiële belangen in ernstige mate zijn geschaad of worden bedreigd en waarbij een gecoördineerde inzet van diensten of organisaties van verschillende disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken. Art. 1 WVR definieert een crisis als een situatie waarin een vitaal belang van de samenleving is aangetast of dreigt te worden aangetast. Het lijdt geen enkele twijfel dat de massale verspreiding van het coronavirus is aan te merken als zowel een ramp als crisis. Dat die van meer dan plaatselijke betekenis is, staat evenzeer vast: de aanpak ervan vraagt maatregelen die de gemeentegrenzen overstijgen. De opschaling heeft daarom in alle 25 veiligheidsregio’s plaatsgevonden.

Dit betekent dat de bevoegdheden van de lokale burgemeesters in deze coronacrisis beperkt zijn. Die van de voorzitter van de veiligheidsregio zijn daarentegen groot. Hij is verantwoordelijk voor het uitvoeren van maatregelen zoals quarantaineverplichtingen op grond van de Wet publieke gezondheid bij infectieziekten van groep A alsook voor de uitoefening van de bevoegdheden ter handhaving van de openbare orde en veiligheid die regulier aan de lokale burgemeester toekomen. 

Dit bericht is geplaatst in Tijdschrift. Bookmark de permalink.