Coronacrisis en het recht (17)

Over de vrijheid van godsdienst

J.G. Brouwer en A.E. Schilder

In de ‘Noodverordening Covid-19’ zoals die sinds gisteravond 22.00 uur geldt, staat een verbod op samenkomsten. Samenkomsten in gebouwen dienen beperkt te blijven tot 30 personen. Of een verbod om te vergaderen juridisch waterdicht is, laten we in dit blog buiten beschouwing. Waar het ons hier om gaat, is dat het verbod op samenkomsten niet slaat op bijeenkomsten van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard.

Die uitzondering roept veel verzet op in de samenleving. De Hersteld Hervormde Kerk in Staphorst kan onder de nieuwe Noodverordening immers nog steeds met 600 mensen in de kerk bijeenkomen. Waarom is dit? En kunnen kerkdiensten straks onder het regiem van de ‘Tijdelijke wet maatregelen covid-19’ wel getalsmatig worden beperkt?

Het verbod in de noodverordening luidt als volgt:

Artikel 2.1 Verbod samenkomsten

1. Het is verboden een samenkomst van meer dan 30 personen (exclusief personeel) per zelfstandige ruimte in een besloten plaats, niet zijnde een woning, of in een voor publiek toegankelijk gebouw, vaartuig of voertuig, met uitzondering van de daarin gelegen woongedeelten, te organiseren, te laten organiseren, te laten plaatsvinden of te laten ontstaan. Een zichtbaar gescheiden podium geldt als zelfstandige ruimte.

2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor: a. (…);b. personen die in gemeenschap met anderen godsdienst of levensovertuiging belijden;

De uitzondering voor kerkdiensten e.d. is nodig vanwege de beperkte bevoegdheid van de voorzitters van veiligheidsregio’s om regels te stellen in een noodverordening. De relevante artikelen in de Gemeentewet en Wet veiligheidsregio’s zeggen de voorzitter uitsluitend en alleen van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften mag afwijken.

Zou de voorzitter de godsdienstvrijheid beperken, dan wijkt hij af van de in artikel 6 Grondwet van het aan een ieder geboden recht om zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden.

In zoverre is de uitzondering in artikel 2.4 Noodverordening voor het verbod op gezamenlijk zingen voor zang als onderdeel van de belijdenis van godsdienst of levensovertuiging heel zorgvuldig,

Wordt de situatie anders als straks de ‘Tijdelijke wet maatregelen Covid-19’ in werking treedt. Nee, die wet bevat geen bevoegdheid voor de minister om de omvang van erediensten getalsmatig te beperken.

Naar het antwoord op de vraag waarom dit is nagelaten, kunnen we slechts gissen. Is dit om de confessionele partijen niet in de gordijnen te jagen en zo voldoende steun voor de wet in beide Kamers te vergaren? We weten het niet.

Historisch valt de attitude van de wetgever goed te verklaren. Ons bestaansrecht als staat wordt immers ontleend aan een strijd om juist vrijheid van godsdienst. Toch was volgens velen, onder wie  ook vooraanstaande personen uit de confessionele hoek, de tijd rijp om aan de godsdienstvrijheid binnen gebouwen grenzen te kunnen stellen.

De Grondwet staat hieraan ook zeker niet in de weg. Art. 6 lid 1 Grondwet biedt de wetgever alle ruimte. Het in de bepaling besloten liggende delegatieverbod vereist wel dat de wetgever zelf de omvang van beperking nauwkeurig formuleert. Aan de minister mag geen zelfstandige beslisruimte toekomen. Het toekennen van een bevoegdheid om het bezoekersaantal voor kerken te maximeren voldoet volledig aan die eis.

Dit bericht is geplaatst in Tijdschrift. Bookmark de permalink.