BOA moeten zich kunnen verweren

J.G. Brouwer

Een verkorte versie verscheen eerder in de Telegraaf van 26 oktober 2019

De afkorting boa staat voor bijzondere opsporingsambtenaar. In Nederland werken bij benadering 25.000 boa’s bij ongeveer 1100 verschillende instanties. We komen ze tegen bij publiekrechtelijke overheden als ministeries, gemeenten, provincies en Staatsbosbeheer, maar bijvoorbeeld ook bij privaatrechtelijke organisaties als de Nederlandse Spoorwegen en natuurbeschermingsorganisaties.

Het is de taak van een boa om strafbare feiten op te sporen. Een kleine 5000 doen dat in openbaar vervoer door bijvoorbeeld zwart rijden aan te pakken.  Een kleine 3000 boa’s houden zich bezig met milieuovertredingen. 850 boa’s checken op de nakoming van de Leerplichtwet. 700 boa’s werken er in de sfeer van de sociale wetgeving; zij pakken bijvoorbeeld bijstandsfraude aan.

Ongeveer 4000 boa’s sporen overtredingen van regelgeving op voor de handhaving waarvan gemeenten verantwoordelijk zijn. Een slordige 11000 boa’s ten slotte werken bij de politie, vaak in een technische of administratieve functie.

Naast bijzondere, zijn er ook gewone opsporingsambtenaren. Ongeveer 40.000. Deze duiden we meestal aan met politieagent. De aard van zijn taak verschilt in niets van die van de boa, behalve dan dat zijn taak veel ruimer is. De opsporing hoeft in zijn geval niet beperkt te blijven tot strafbare feiten binnen een specifiek domein.

De gewone opsporingsambtenaar mag zich met de opsporing van alle strafbare feiten bezighouden. In de praktijk blijft die echter beperkt tot slechts enkele specifieke strafwetten. Het Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de Wegenverkeerswet nemen hiervan een groot deel van voor hun rekening.

Met wet- en regelgeving die de boa handhaaft, bemoeit de politieagent zich in beginsel niet. Dat is een kwestie van efficiency. Vaak mist hij hiervoor ook de specifieke deskundigheid. Een politieagent heeft bijvoorbeeld geen verstand van eisen die in de Warenwet of de Vuurwerkwet staan.

Om de gewone opsporingsambtenaar bij zijn taakuitoefening te faciliteren, kent de wetgever een aantal bevoegdheden aan hem toe. Hij mag bijvoorbeeld iemand die een strafbaar feit begaat naar zijn naam en adres vragen, indien nodig zelfs meenemen naar het bureau voor verhoor en vooraf fouilleren. En indien het echt niet anders kan, mag een gewone opsporingsambtenaar volgens de Politiewet zelfs gepast geweld gebruiken.

Die laatste bevoegdheid missen de boa’s. En daarin willen de BOA-bonden verandering brengen, vooral voor die boa’s’ die in de publieke ruimte opereren. Zij vragen om twee verdedigingsmiddelen: pepperspray en de wapenstok. Daarmee kunnen zij zich beter te weer stellen tegen mensen die hen proberen te mishandelen.

Maar dit stuit er op de nodige weerstand. Als boa’s echter dezelfde taak uitvoeren als de gewone opsporingsambtenaren, welk argument valt er dan te bedenken om alleen de eerste groep met geweldsmiddelen uit te rusten.

Aan de politieagent staan geweldsmiddelen ter beschikking met als primair doel de naleving van het recht af te dwingen, niet om zich zelf te verdedigen, zegt een geharnaste tegenstander.

Ik waag ik te betwijfelen of dit een juiste interpretatie van de Politiewet is. En overigens, is zelfverdediging niet ook het handhaven van het recht: het strafrechtelijk verbod van mishandeling?

Een tweede argument is dat een politieagent ook de openbare orde moet handhaven. Maar dat doet een boa evenzeer als hij het strafbare feit weet te voorkomen dan wel te beëindigen zonder een proces-verbaal op te maken tegen een persoon. Alleen staat hem uitsluitend zijn overredingskracht ter beschikking.

Een derde argument snijdt meer hout. De boa is er niet voor opgeleid om geweld te gebruiken. Niets is er echter op tegen om dit dan voortaan wel te doen. Naast de basisopleiding moet er dan een extra opleiding worden gevolgd zodat de boa ten minste gaat voldoen aan de eisen van ‘De Regeling Toetsing Geweldbeheersing boa en ambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten’.

Sommige boa’s hebben dat parcours al afgelegd en beschikken nu al over politiebevoegdheden en geweldsmiddelen. Van een principiële discussie is derhalve geen sprake.

Niet elke boa hoeft van meet af aan over geweldsbevoegdheden te beschikken. De wetgever kan bepalen wanneer welke boa, in welk domein, op welk moment van een geweldsmiddel gebruik mag maken.

Dit bericht is geplaatst in Tijdschrift. Bookmark de permalink.