Besluit Van Gijzel niet houdbaar

Vzr Rechtbank ’s-Hertogenbosch 25 april 2011

LJN: BP9061

Peerke S. keert na een langdurige gevangenisstraf wegens onder andere de handel in en het bezit van synthetische drugs terug in de woning van zijn partner. Korte tijd later wordt die woning met een automatisch wapen beschoten. Ook in de twee naastgelegen woningen en in enkele auto’s slaan de meer dan honderd kogels in. Als een wonder vallen er geen slachtoffers, de buurt is vanzelfsprekend wel getraumatiseerd.

S. en zijn partner verlaten na de beschieting de woning. Ruim twee maanden later, inmiddels is gelaagd veiligheidsglas met een dikte van enkele centimeters in de voorgevel geplaatst, keert S. terug. Als de burgemeester van Eindhoven hiervan op de hoogte geraakt, beveelt hij S. binnen twee uur het perceel te verlaten en zich daarvan de komende drie maanden verwijderd te houden. Ook mag hij zich in deze periode niet ophouden in een gebied rondom de woning met uitzondering van twee wegen voor doorgaand verkeer. Incidenteel kan hij de burgemeester of de politie kan toestemming vragen om kortstondig het pand te betreden.

Gezien het gevaar dat S. en ook buurtbewoners lopen, kan het besluit van de burgemeester niet anders dan als verstandig worden gekwalificeerd. Verstandig is echter niet per definitie synoniem met juridisch houdbaar.

Als rechtsbasis kiest de burgemeester art. 172 lid 3 Gemeentewet. Deze bevoegdheid staat te boek als de lichte bevelsbevoegdheid. Licht in verhouding tot de noodbevelsbevoegdheid van art. 175 Gemeentewet. Waar art. 172 lid 3 Gemw de burgemeester de bevoegdheid geeft de bevelen te geven die hij nodig acht, staat art. 175 Gemw hem toe alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare of ter beperking van gevaar nodig acht. Hierbij mag de burgemeester afwijken van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften. Zo ruim is de lichte bevelsbevoegdheid allesbehalve. Bij herhaling en in niet voor tweeërlei uitleg vatbare bewoordingen is tijdens de totstandkomingsgeschiedenis gesteld dat met deze bevoegdheid van geen enkel wettelijk voorschrift mag worden afgeweken. Zelfs niet van de in de hiërarchie van wettelijk voorschriften onderaan de ladder staande gemeentelijke verordening. Dat heeft de Hoge Raad vorig jaar nog bevestigd (LJN: BB4096).

Onmiskenbaar maakt de burgemeester in deze zaak inbreuk op het van art. 10 Grondwet deeluitmakende woonrecht. Hiervoor leent de lichte bevelsbevoegdheid zich niet, niet kortdurend, laat staan gedurende drie maanden. Daar kan geen enkele twijfel over bestaan. Dat de voorzieningenrechter anders oordeelt, kan niet anders geduid worden dan wat in het honkballen wordt genoemd een opofferingsstoot: in de vertragingstijd moet er gescoord worden.

Hierover kan geen enkel misverstand bestaan. Dat volgt ook uit wetsystematisch interpretatie. Art. 174a Gemeentewet staat de burgemeester toe tijdelijk het woonrecht te beperken onder hele strikte condities (zie bv: ABRS 1 december 2010, LJN: BO5718). Zou dit ook op basis van de lichte bevelsbevoegdheid zijn toegestaan, dan was invoeging van art. 174a in 1996 volkomen overbodig geweest.

Over J.G. Brouwer

Prof. mr. Jan Brouwer is hoogleraar-directeur van het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid.
Dit bericht is geplaatst in Tijdschrift met de tags , , . Bookmark de permalink.