Noodbevel Westland

Annotatie bij Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 14 januari 2009

Samenvatting: Bij het besluit van 7 april 2005 heeft de burgemeester [appellante] bevolen de bouwwerkzaamheden te staken en gestaakt te houden. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat bij hem de ernstige vrees bestond dat door het uitvoeren van de [appellante] vergunde bouwwerkzaamheden op de percelen een zwaar ongeval kon ontstaan. Dat standpunt heeft hij gebaseerd op de omstandigheid dat de bouwplannen geprojecteerd waren boven een tankgracht uit de Tweede Wereldoorlog waar een mijnenveld omheen was gesitueerd en het gegeven dat er een reële kans bestond dat niet alle mijnen ter plaatse waren geruimd. De vraag is of de burgemeester het bevel op grond van de hem ten tijde van het besluit bekende omstandigheden mocht opleggen.

De conclusie van de risico-analyse is dat de bouwwerkzaamheden in deze strook zonder verder onderzoek geen voortgang kunnen hebben. Op grond van deze analyse heeft de burgemeester zich op het standpunt kunnen stellen dat ernstige vrees bestond voor een zwaar ongeval en heeft hij het ter beperking van gevaar nodig kunnen achten het staken en gestaakt houden van de bouwwerkzaamheden af te dwingen. Niet in geschil is dat de burgemeester geen andere middelen ter beschikking stonden om het staken van de bouwwerkzaamheden rechtens af te dwingen. Daarom is er geen grond voor het oordeel dat het uitvaardigen van het noodbevel disproportioneel was of op andere gronden had behoren te zijn nagelaten. Omdat uit de risico-evaluatie blijkt dat nader onderzoek nodig was kan voorts niet worden staande gehouden dat de burgemeester het noodbevel voor een tevoren bepaalde termijn had moeten opleggen. Toen het noodbevel werd uitgevaardigd was nog niet duidelijk en kon ook nog niet duidelijk zijn hoeveel tijd nodig zou zijn voor het ruimen van de explosieven. Derhalve was ten tijde van het opleggen van het noodbevel niet bekend wanneer de ernstige vrees voor een ramp of een zwaar ongeval zou zijn geweken. Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het [appellante] duidelijk moet zijn geweest dat zij de bouwwerkzaamheden eerst zou kunnen hervatten nadat de percelen veilig zouden zijn verklaard. Het hoger beroep is ongegrond.

Door L.D. Ruigrok

Gepubliceerd in: Jurisprudentie voor Gemeenten

Download annotatie

Over J.G. Brouwer

Prof. mr. Jan Brouwer is hoogleraar-directeur van het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid.
Dit bericht is geplaatst in 2009, Jurisprudentie, Orde- en Noodbevelen met de tags , , . Bookmark de permalink.