Corona en het recht (deel 21)

Avondklok op basis van Wet publieke gezondheid

                Parlementaire controle beter geborgd?

J.G. Brouwer

Inleiding

De wetgever is deze dagen druk doende een bevoegdheid te creëren voor de minister van VWS in de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 – hoofdstuk VA van de Wet publieke gezondheid – om een avondklok in te stellen. De afgelopen weken gold er een avondklok op basis van een ministeriële regeling ingesteld op basis van een wat oudere noodwet: artikel 8 Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag.

De voorzieningenrechter oordeelde echter dat dit geen juiste grondslag is (ECLI:NL:RBDHA:2021:1100). Voor de regering was dit reden om al een paar dagen later een wijziging van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (hierna Coronawet) aan de Tweede Kamer te presenteren. Als de appélrechter het vonnis bevestigt, dan is er een nieuwe wettelijke bevoegdheid om per direct een volgende avondklok in te stellen, zo is haar gedachte.

Naar aanleiding hiervan twee vragen.  Tijdens de behandeling van de aanpassing van de Coronawet op 18 februari 2021 betoogden Tweede Kamerleden bij herhaling dat de positie van de Kamers in deze wet beter is geborgd dan in de oudere noodwet. Is die stellingname juist?

En kan de regering wanneer de appélrechter het vonnis van de rechtbank bevestigt, de avondklok op basis van de nieuwe bevoegdheid ononderbroken voortzetten?

Noodbevoegdheden Coronawet

Het toepassen van noodrechtelijke bevoegdheden gaat niet zelden ten koste van democratische controle. Dat kan ook haast niet anders: een crisissituatie vraagt om een snelle en daadkrachtige aanpak. Eenhoofdige besluitvorming gaat nu eenmaal sneller dan collegiale besluitvorming.

In de wet Tijdelijke wet maatregelen covid-19 is echter afgeweken van dit uitgangspunt en een afwijkende procedure vastgelegd. Of beter gezegd, twee werkwijzen. (A) De hoofdregel is dat een  ministeriële regeling binnen twee dagen nadat zij is vastgesteld aan beide Kamers wordt overgelegd. De maatregel kan niet eerder in werking treden dan een week na deze overlegging. Indien de Tweede Kamer binnen die termijn besluit niet in te stemmen met de maatregel, dan vervalt deze van rechtswege.

(B) De tweede optie is dat een vastgestelde ministeriële regeling zoals een avondklok onverwijld na vaststelling en bekendmaking in werking treedt. Dat kan echter uitsluitend en alleen indien er sprake is van een zeer dringende omstandigheid waarin ter beperking van gevaar direct moet worden gehandeld. In zo’n geval zendt de minister de maatregel binnen twee dagen na vaststelling aan beide Kamers, voorzien van een gemotiveerde mededeling waarin de dringende omstandigheid uiteen wordt gezet. Indien de Tweede Kamer binnen een week na de toezending besluit niet in te stemmen met de maatregel, dan vervalt de regeling van rechtswege.

Kritiek op procedure in Coronawet

Op deze door de Coronawet voorgeschreven gang van zaken is de nodige kritiek geleverd. Een dergelijke werkwijze zou haaks staan op het daadkrachtig kunnen aanpakken van deze gezondheidscrisis, betoogden onder meer Wierenga, De Wijk en Bovend’Eert.

Schilder en Brouwer hebben in een gezamenlijke publicatie argumenten aangedragen waarom in deze naar zijn aard bijzondere crisis tijdsverlies voor lief kan en zelfs moet worden genomen: de instemming van het parlement moet de samenleving behoeden voor ongrondwettige maatregelen zoals die in het voorjaar bij herhaling in noodverordeningen zijn getroffen. Bovendien is huns inziens de urgentie van te nemen maatregelen een andere dan in een crisis als die van bijvoorbeeld een chemiebrand of een dijkdoorbraak. Daarin moeten bij wijze van spreken van minuut tot minuut maatregelen worden overwogen. Dat ligt bij een pandemie wat anders. Spoedeisend heeft in verband met de verspreiding van een infectieziekte een afwijkende lading en een lager tempo.

Noodbevoegdheden Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag

Laten we eerst opmerken dat de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag een wet is die net als de Coronawet door de regering in samenwerking met de Tweede en Eerste Kamer tot stand is gebracht. Deze wet is alleen wel wat ouder. De laatste ingrijpende wijziging vond plaats in 1996.

De procedure voor het gebruikmaken van de bevoegdheid in artikel 8 Wbbbg om het vertoeven in de buitenlucht te beperken, is de volgende. De slapende wettelijke bevoegdheid wordt tot leven gewekt door een Koninklijk Besluit op voordracht van de minister-president (Stb. 2021/24).

Dit kan volgens de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden in verbinding met de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag ingeval buitengewone omstandigheden hiertoe noodzaken. Wat buitengewone omstandigheden zijn, is niet gedefinieerd. Algemeen wordt echter aangenomen dat het om een situatie moet gaan waarin een vitaal belang – zoals de volksgezondheid – wordt bedreigd en de normale bevoegdheden niet toereikend zijn om deze dreiging af te wenden (Brainich).

De inwerkingstelling van artikel 8 Wbbbg maakt de regering bevoegd om bij algemene maatregel van bestuur regels te geven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid om het vertoeven in de open lucht te beperken.

In spoedeisende gevallen is de Minister van Justitie en Veiligheid bevoegd om terstond regels inwerking te stellen die het vertoeven in de avondlucht beperken. Dat laatste is gebeurd in het geval van de corona-avondklok.

Wanneer sprake is van spoedeisendheid is vooral een politiek-bestuurlijk oordeel van de regering. De rechter kan het bestuur echter corrigeren, maar naar mijn mening alleen indien het ten ene male ondenkbaar is dat sprake is van een spoedeisende situatie. Het is niet aan de rechter om de afweging volledig zelf maken. Hiervoor beschikt de rechter over onvoldoende epidemiologische en virologische kennis. De voorzieningenrechter denkt daar echter anders over. En dat geldt ook voor bijvoorbeeld Wierenga en Voermans.

Na inwerkingtreding van de ministeriële regeling dient de regering onverwijld een zogenaamde verlengingswet in te dienen bij de Tweede en Eerste Kamer. Dat is in deze kwestie pas na een week gebeurd. Dit valt niet goed te keuren. De Eerste Kamer heeft zich zelfs nog steeds niet uitgelaten over de toelaatbaarheid van de avondklok.

Anders dan bij maatregelen op grond van de Coronawet moeten beide Kamers dus instemmen. Als een van beide Kamers niet akkoord gaat,  dan is het meteen met de maatregel gedaan. Als de verlengingswet onverwijld wordt ingediend, dan kan het al na een dag afgelopen zijn met de maatregel.

Voor verlenging van de avondklok is vanzelfsprekend ook de instemming van beide Kamers vereist. Hiertoe dient de regering een nieuwe verlengings- of ook wel voortduringswet in te dienen.

Extra parlementaire inbreng

In het geval van de corona-avondklok heeft de minister vrijwillig vooraf nog instemming van de Tweede Kamer gevraagd. In feite is dit de procedure zoals die in de Coronawet is voorgeschreven. Een ruime meerderheid van 118 Kamerleden ging akkoord. Daarop is de avondklok in de Staatscourant bekendgemaakt (Staatscourant 2021, 4191) en in werking getreden op 22 januari 2021.

Vier dagen later werd het onderhavige wetsvoorstel dat strekt tot het voortduren van de werking van artikel 8, eerste en derde lid, van de Wbbbg bij de Afdeling ter advies aangeboden.

Balans opgemaakt

Als we de balans opmaken, dan valt niet goed te begrijpen waar de gedachte vandaan komt dat de regering het parlement tekort doet dan wel heeft gedaan door gebruik te maken van artikel 8 Wbbg. De regering heeft immers zowel de procedure als hierboven beschreven onder A als onder B gevolgd.

En dan vergeet ik nog bijna te vermelden dat in het geval van de Wet de buitengewone omstandigheden burgerlijk gezag niet alleen de Tweede, maar ook de Eerste Kamer de bevoegdheid bezit een einde aan de maatregel te maken. Als het goed is, zelfs onverwijld.

Bovendien, niets weerhoudt het parlement ervan om in verlengings- of voortduringswetten een maximale termijn voor de gelding van een avondklok in te bouwen. Sterker nog, in het ontwerp verlengingswet stond aanvankelijk als einddatum 10 februari 2021, 04.30 uur. Die verdween echter op aandringen van de Raad van State.

Hiermee is allesbehalve gezegd dat de avondklok op basis van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag gerechtvaardigd is. Niet geheel ongefundeerd, merkt de voorzieningenrechter op dat de Staat die maatregel beter dient te motiveren.

En ook dient de Staat beter te beargumenteren waarom er sprake is van een spoedeisende situatie. Slaagt de regering daarin niet, dan kan het zijn dat de avondklok op basis van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag ook in appél onrechtmatig wordt bevonden. De uitkomst hiervan hangt af van de intentisiteit van toetsing door het Hof.

Voor de toekomstige gelding van de avondklok zal die uitspraak geen effect hebben. Zo gauw de gewijzigde Coronawet in het Staatsblad staat, geldt de avondklok op basis van de nieuwe bevoegdheid. De wetgever heeft in een overgangsbepaling de wettelijke grondslag van de bestaande Tijdelijke regeling landelijke avondklok covid-19 eenvoudigweg gewijzigd.

Impliciet is de wetgever van mening dat er sprake is van een ‘zeer bijzondere omstandigheid waarin ter beperking van gevaar direct moet worden gehandeld’, nu de avondklokmaatregel per direct in werking zal treden.

Dit maakt het vooor de appélrechter straks lastig om te beslissen dat er eerder geen sprake was van een spoedeisende situatie, zoals bedoeld in de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Corona en het recht (deel 21)

Corona en het recht (deel 20)

Avondklokrellen: noodbevel en of noodverordening

J.G. Brouwer

Het is opvallend dat de burgemeester van Amsterdam vorige week een noodbevel afkondigde, terwijl andere – bijvoorbeeld die van Apeldoorn en Eindhoven – van een noodverordening gebruik maakten om rellen te voorkomen dan wel te bestrijden. Mag de burgemeester vrijelijk kiezen wat hij inzet? En kunnen onlusten beter bestreden worden met een noodbevel dan met noodverordening?

Lees verder
Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Corona en het recht (deel 20)

Corona en het recht (deel 19)

Wat regelt de Tijdelijk wet maatregelen covid-19

J.G. Brouwer en A.J. Wierenga

De Eerste Kamer heeft dinsdag 27 oktober de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (Twmc, ook wel Coronawet genoemd) aangenomen. Het betreft een ingevoegd hoofdstuk VA in de Wet publieke gezondheid (Wpg) vooralsnog voor  de duur van drie maanden. Hierin staan diverse bevoegdheden om ter voorkoming van de verspreiding van het coronavirus beperkende maatregelen te kunnen opleggen aan het gezonde deel van onze bevolking. De wet treedt per 1 december aanstaande in werking. Wat regelt deze wet precies?

Lees verder
Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Corona en het recht (deel 19)

Corona en het recht (deel 18)

Avondklok juridisch mogelijk?

A.J. Wierenga en J.G. Brouwer

Steeds vaker horen we dat er een avondklok gaat komen voor regio’s waar de reproductiefactor nog altijd te hoog is. De vraag die we hier behandelen is of de overheid over de bevoegdheid beschikt om een regionale avondklok in te stellen.

Lees verder
Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Corona en het recht (deel 18)

Coronacrisis en het recht (17)

Over de vrijheid van godsdienst

J.G. Brouwer en A.E. Schilder

In de ‘Noodverordening Covid-19’ zoals die sinds gisteravond 22.00 uur geldt, staat een verbod op samenkomsten. Samenkomsten in gebouwen dienen beperkt te blijven tot 30 personen. Of een verbod om te vergaderen juridisch waterdicht is, laten we in dit blog buiten beschouwing. Waar het ons hier om gaat, is dat het verbod op samenkomsten niet slaat op bijeenkomsten van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard.

Die uitzondering roept veel verzet op in de samenleving. De Hersteld Hervormde Kerk in Staphorst kan onder de nieuwe Noodverordening immers nog steeds met 600 mensen in de kerk bijeenkomen. Waarom is dit? En kunnen kerkdiensten straks onder het regiem van de ‘Tijdelijke wet maatregelen covid-19’ wel getalsmatig worden beperkt?

Lees verder
Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Coronacrisis en het recht (17)

Coronacrisis en het recht (16)

J.G. Brouwer

Discrepantie tussen de aangekondigde verboden en de Noodverordening Covid 19

Van verschillende kanten wordt erop gewezen dat er een discrepantie bestaat tussen de ‘verboden’  die (aangekondigd) staan op de overheidssite (https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2020/10/13/gedeeltelijke-lockdown-om-besmettingen-terug-te-dringen) en die in de strafrechtelijk bindende Noodverordening komen te staan. Is hier sprake van bewuste manipulatie door de overheid, wordt ons gevraagd.

Lees verder
Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Coronacrisis en het recht (16)

Coronacris en het recht (deel 15)

Critici coronabeleid juridisch stekeblind

J.G. Brouwer

De kritiek die de afgelopen twee weken over het kabinet werd uitgestort is niet mals. Wie de krantenkoppen en commentaren leest, denkt op z’n minst dat het kabinet zit te slapen.

Om maar een paar voorbeelden te noemen. ‘Winkeliers snakken naar duidelijkheid.’ Het kabinet moet een algehele mondkapjesplicht opleggen voor de publieke ruimte.

‘Kabinet grijpt hard in maar deinst terug voor een nieuwe lockdown.’ En dat is toch waar de voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care voor pleit. In sommige media is min of meer openlijk aangedrongen op het invoeren van een avondklok.

Het inmiddels overbekende Red Team vindt zelfs dat het kabinet per direct het ontvangen van bezoek thuis dient te verbieden.

Een en ander vormt voor ons aanleiding om de omgekeerde vraag te stellen: zijn het niet de critici die zitten te snurken? Is het hen ontgaan dat er de afgelopen zes maanden een intensief debat is gevoerd over de (on)grondwettigheid van tal van maatregelen in de maanden maart tot en met juni?

En zijn ze vergeten dat de Raad van State die kwestie begin juni heeft beslist in het voordeel van de preciezen: bij noodverordening mag niet langer worden afgeweken van de Grondwet.

Hebben zij gemist dat de regering vóór het zomerreces van de Kamers het wetsvoorstel ‘Tijdelijke wet maatregelen Covid-19′ heeft ingediend om in de herfst over bevoegdheden te beschikken om qua mate van ingrijpen vergelijkbare maatregelen te kunnen nemen als in het voorjaar?

En is het aan hun aandacht ontsnapt dat de Kamers naar nu blijkt in maanden juli en augustus kostbare tijd hebben verdaan om die wet te behandelen? Met als gevolg dat de slagkracht van het kabinet op dit moment tamelijk beperkt is?

Er kunnen zolang die wet niet is aangenomen slechts maatregelen worden genomen die geen inbreuk maken op door de Grondwet beschermde grondrechten. Het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer is er daar slechts éen van. Een pleidooi voor een bezoekverbod komt op dit moment daarom op z’n minst weinig democratisch over.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Coronacris en het recht (deel 15)

Coronacrisis en het recht (deel 14)

De verplichte quarantaine maatregel

J.G. Brouwer en A.E. Schilder

Vorige week kondigde de minister van VWS aan gebruik te willen gaan maken van de verplichte quarantaine maatregel om de snelle verspreiding van het Covid19 virus te voorkomen . De Wet publieke gezondheid biedt hiertoe een mogelijkheid.

De Tweede Kamer hield dit echter tegen. Het is evenwel de vraag of de Kamer wel bij machte is de inzet van dit middel tegen te houden. Het opleggen van een verplichte quarantaine maatregel is geen bevoegdheid van de minister, maar een autonome bevoegdheid van de voorzitters van de veiligheidsregio’s.

Artikel 35  bepaalt:          

  1. De voorzitter van de veiligheidsregio kan een persoon onverwijld doen onderwerpen aan de maatregel van quarantaine om de verspreiding van infectieziekten behorend tot groep A tegen te gaan, indien:

a. er redenen zijn om aan te nemen dat die persoon recentelijk een dusdanig contact met een lijder of een vermoedelijke lijder aan een infectieziekte behorend tot groep A heeft gehad, dat deze persoon mogelijk met dezelfde ziekte is geïnfecteerd,

b. ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat door verspreiding van die infectieziekte, en

c. die persoon niet tot vrijwillige onderwerping aan die maatregel bereid is.

Houdt een persoon zich niet aan de maatregel dan pleegt hij of zij een strafbaar feit waarop een fikse straf staat: € 87.000 boete of een gevangenisstraf van vier jaren.

Wat de Kamer slechts met politieke druk kan proberen tegen te houden is dat de minister van VWS  een aanwijzing – opdracht – geeft aan de voorzitters van de 25 veiligheidsregio’s om gebruik te maken van de bevoegdheid in de Wet publieke gezondheid.

In beginsel beslissen de voorzitters zelf of zij gebruikmaken van hun bevoegdheid. Een aanwijzing is hiervoor niet noodzakelijk. De minister kan de inzet van dit instrument wel verbieden door middel van een aanwijzing ex artikel 7 Wet publieke gezondheid. Maar voor een zodanige opdracht zal hij op dit moment weinig of niets voelen.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Coronacrisis en het recht (deel 14)

Demonstratievrijheid en bufferzones bij abortusklinieken (2)

B. Roorda en J.G. Brouwer

In een uitspraak van 21 juli 2020 ‘keurt’ de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland de afstandsbeperking opgelegd door de burgemeester van Heemstede aan een anti-abortus/pro-lifedemonstratie goed.[1] Hij doet dit met behulp van een aantal opmerkelijke overwegingen. In de gemeenteraden van Groningen en Utrecht leidden die tot vragen aan de burgemeester. Voor ons is dit aanleiding om opnieuw stil te staan bij dit onderwerp. Opnieuw, want in het voorjaar van 2019 schreven we ook al over bufferzones ter voorkoming van intimidatie van patiënten die abortusklinieken bezoeken https://www.openbareorde.nl/tijdschrift/demonstratievrijheid-en-bufferzones-bij-abortusklinieken/.

Lees verder
Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Demonstratievrijheid en bufferzones bij abortusklinieken (2)

Over het wetsvoorstel ‘Bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties’: het verbieden van Outlaw Motorcycle Gangs*

J. Koornstra, B. Roorda, & J.G. Brouwer

Inleiding

Op 13 november 2018 dienden enkele leden van de Tweede Kamer het initiatiefwetsvoorstel ‘Bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties’ in.[1] De Raad van State adviseerde negatief over het wetsvoorstel.[2] Voor de initiatiefnemers was dit echter geen reden om het wetsvoorstel in te trekken, op 18 april 2019 zetten zij het wetsvoorstel met slechts enkele wijzigingen door.[3] Kern van het wetsvoorstel is artikel 2, eerste lid waarin de minister voor Rechtsbescherming de bevoegdheid krijgt om bij beschikking een organisatie te verbieden, voor zover dit (1) noodzakelijk is in het belang van de openbare orde en (2) die organisatie een cultuur van wetteloosheid creëert, bevordert of in stand houdt.[4] Betreft het een rechtspersoon, dan is de minister tevens bevoegd hem te ontbinden. Volgens het huidige artikel 2:20 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is het aan de rechter om een rechtspersoon met een werkzaamheid in strijd met de openbare orde te verbieden en ontbinden na een verzoek hiertoe van het Openbaar Ministerie.[5]  

De argumenten van de initiatiefnemers om het recht op dit punt te wijzigen zijn tweeledig. Ten eerste neemt de huidige verbodsprocedure volgens hen te veel tijd in beslag voordat een rechtspersoon daadwerkelijk is verboden en voortzetting van zijn werkzaamheden strafbaar is. Dit doet huns inziens afbreuk aan een effectieve bestrijding van ‘ondermijnende organisaties’ als Outlaw Motorcycle Gangs (OMGs). In het wetsvoorstel wordt het verbod om die reden in de vorm van een ministerieel besluit gegoten. Dit besluit werkt onmiddellijk en overtreding ervan is direct strafbaar.[6]

Ten tweede willen de initiatiefnemers een helder criterium in de wet vastleggen op basis waarvan (strafbare) gedragingen van derden eenvoudiger zijn toe te rekenen aan de te verbieden organisatie. In 2009 liep een verbodsprocedure tegen motorclub Hells Angels Northcoast Harlingen stuk op het door de Hoge Raad gehanteerde toerekeningscriterium.[7]

De voorgestelde wijzigingen betreffen een gevoelige materie. Een verbod vormt de meest vergaande beperking op de verenigingsvrijheid zoals vastgelegd in artikel 8 Grondwet en artikel 11 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).[8] Die vrijheid is onmisbaar in onze democratische rechtsstaat. De verenigingsvrijheid stelt gelijkgestemde burgers in staat om in vereniging burgerlijke, politieke, religieuze alsmede levensbeschouwelijke, culturele, sportieve en recreatieve werkzaamheden te verrichten en doelen te realiseren.[9] De initiatiefnemers realiseren zich dit ook en zonderen om die reden politieke partijen en daaraan gelieerde organisaties, alsmede kerkgenootschappen en vakbonden in het wetsvoorstel uit. Niet alleen vanwege het belang van de verenigingsvrijheid, maar ook omdat een verbod van die organisaties de kern raakt van de uitings- en godsdienstvrijheid. In die gevallen is de bestaande verbodsprocedure via de rechter ex artikel 2:20 lid 1 BW meer aangewezen.[10]

De voorgestelde bevoegdheidstoekenning aan de minister is bedoeld voor de bestrijding van strafbare feiten. Dat is een van de in artikel 11 lid 2 EVRM genoemde legitieme doelen. Het zal evenwel steeds van de omstandigheden van het geval afhangen in hoeverre een ministerieel verenigingsverbod in de zin van dit artikel noodzakelijk is om deze doelen te bereiken. Het EHRM laat in dat verband een beperkte marge d’appréciation aan de lidstaten. De redenen voor de beperking dienen volgens dit hof overtuigend en dwingend te zijn.[11] Ook lijkt de wettelijke basis van de bevoegdheid te voldoen aan de eisen van het EHRM dat het recht kenbaar is (accessibility) en met voldoende precisie aangeeft welke juridische consequenties een bepaalde gedraging kan hebben (foreseeability), nu het Hof die laatste eis onmiddellijk heeft gerelativeerd. Weliswaar dienen de beperkingsregels voldoende precies te zijn geformuleerd, zodat de burger zijn gedrag – eventueel na advies – hierop kan afstemmen, maar een zekere vaagheid in de gebruikte formuleringen is echter niet alleen onvermijdelijk, maar ook nodig voor de rechtsontwikkeling van de regel.[12] Artikel 11 EVRM lijkt volgens rechtspraak van het EHRM voldoende armslag te bieden voor het instrument van een bestuurlijk verenigingsverbod.[13]

Problematischer liggen de eisen die onze Grondwet stelt aan de wettelijke grondslag voor de beperking van het verenigingsrecht. Uit de clausule ‘bij de wet’ in artikel 8 Grondwet vloeit voort dat alleen de formele wetgever bevoegd is om beperkingen te stellen aan het recht van vereniging. Bij de grondwetsherziening in 1983 is uitdrukkelijk gesteld dat de formele wetgever bij het uitoefenen van deze bevoegdheid zelf de omvang van de beperking moet aangeven en dit niet mag overlaten aan andere organen door het gebruik van vage formuleringen. Het door de grondwetgever in verband met het verenigingsrecht gegeven doelcriterium – ‘in het belang van de openbare orde’ in artikel 8 Grondwet – moet in de wet zelf worden uitgewerkt. Dat was een principiële en weloverwogen keuze van de grondwetgever. Om rechtsversplintering van de verenigingsvrijheid tegen te gaan, zou de beperking steeds direct terug te voeren moeten zijn op de door de democratisch verkozen wetgever gestelde voorwaarden. Dat zou de burger beschermen tegen arbitraire beperkingen van het recht van vereniging.[14] De toekenning van de verbodsbevoegdheid aan de minister lijkt op voorhand in strijd met dit delegatieverbod.

In deze bijdrage gaan we in op deze en andere rechtsstatelijke knelpunten. In onze analyse gaan we vooral in op de vraag hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot de grondwettelijke eisen, nu die strenger zijn dan die van het EVRM. Daartoe behandelen we in §1 eerst het voorstel om de verbodsbevoegdheid bij de minister neer te leggen. Vervolgens zetten we in §2 uiteen onder welke voorwaarden hij van zijn bevoegdheid kan gebruikmaken. In §3 besteden we aandacht aan de soorten organisaties die de minister volgens het voorstel wel en niet kan verbieden. In §4 komt het voorgestelde toerekeningscriterium aan bod. Tot slot gaan we in §5 in op de wijze waarop de initiatiefnemers het verbod onmiddellijke werking willen geven. Bij de analyse werpen we – waar relevant – ook steeds een blik op het huidige verbodsregime van artikel 2:20 BW. Tevens beoordelen we terloops of er een noodzaak bestaat dit regime te wijzigen en in hoeverre het wetsvoorstel voorziet in een oplossing van een bestaand probleem. We sluiten het geheel af met een conclusie.

Lees verder
Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Over het wetsvoorstel ‘Bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties’: het verbieden van Outlaw Motorcycle Gangs*