Coronacrisis en het recht (deel 6)

De inhoud van de maatregelen van 23 maart

A.J. Wierenga en J.G. Brouwer

Maandag 23 maart 2020 maakte de Minister van VWS strenge maatregelen bekend ter bestrijding van de coronacrisis.

In essentie komen ze – samen met de al vigerende voorschriften – hier op neer:

  • Een ieder is verplicht om te alle tijde in de publieke ruimte 1.5 meter afstand te houden, uitgezonderd gezinnen, partners, zorgverleners en kinderen tot 12 jaar.
  • Groepsvorming – meer dan drie personen – in de publieke ruimte is verboden, uitgezonderd gezinnen.
  • Om de 1.5 meter afstandseis tussen personen te realiseren in winkels, het openbaar vervoer, gemeenschappelijke ruimten op campings en in havens, recreatieparken, pretparken en markten neemt de beheerder/marktmeester de noodzakelijke maatregelen.
  • Het is verboden om een contactberoep uit te oefenen, uitgezonderd een (para)medisch beroep.
  • Het is verboden om geopend te houden:
    • horecagelegenheden, uitgezonderd
      • hotels voor gasten, restaurants en coffeeshops in afhaalfunctie;
    • casino’s, speelautomaathallen;
    • bioscopen, theaters, musea;
    • sportaccommodaties, fitnessclubs;
    • saunagelegenheden en seksinrichtingen.
  • Alle samenkomsten zijn verboden, uitgezonderd
    • door de wet voorgeschreven vergaderingen van de overheid met een maximum van honderd deelnemers;
    • noodzakelijke samenkomsten van instellingen, bedrijven en andere organisaties met een maximum van honderd deelnemers;
    • uitvaarten, huwelijksvoltrekkingen en bijeenkomsten van religieuze of levensbeschouwelijke aard met een maximum van dertig personen.
  • Het is verboden om in school- en universiteitsgebouwen fysiek onderwijs te geven, uitgezonderd en met inachtneming van de 1.5 meter afstandseis:
    • het afnemen van toetsen en examens;
    • kleinschalig onderwijs aan leerlingen met een bijzondere problematiek of problematische thuissituatie;
    • de verplicht gestelde opvang van kinderen van ouders die werken in cruciale beroepen of in vitale processen.
  • Het is verboden om opvang te bieden in verblijven voor kinderopvang, uitgezonderd opvang van kinderen van ouders die werken in cruciale beroepen of in vitale processen.
  • Het is verboden om als particulier een bezoek te brengen aan een persoon in een zorginstelling of een woonvorm in de ouderenzorg, tenzij sprake is van bezoek aan een naaste in de stervensfase of vergelijkbare omstandigheden.
  • Het is verboden om gebieden als parken, bossen, recreatiewateren en stranden en dergelijke te betreden indien de voorzitter van de veiligheidsregio heeft gesloten dat dit noodzakelijke is ter bestrijding van COVID-19, uitgezonderd personen die daar wonen of werken.

Alle bovenstaande maatregelen gelden tot 6 april 2020; voor de periode hierna vindt een heroverweging plaats.

  • Vergunning- en meldplichtige evenementen zijn verboden tot 1 juni 2020.

Het zijn stuk voor stuk voor de hand liggende uitgangspunten in verband met een extreem besmettelijk en niet zelden dodelijk virus. De Minister van VWS kan echter – ondanks dat hij de leiding heeft over de rampenbestrijding –  geen algemeen verbindende regels uitvaardigen. De minister kan de voorzitters van de 25 veiligheidsregio’s slechts opdragen tot het toepassen van deze maatregelen. De voorzitters dienen hiervoor gebruik te maken van hun bevoegdheid om noodverordeningen uit te vaardigen.

Een dergelijke constructie is bij een ingewikkelde problematiek van een ongekende omvang die zich zelden of nooit voordoet niet erg efficiënt, maar zo is dit geregeld in de Wet publieke zorg in samenhang met de Wet veiligheidsregio’s.

Om toch de broodnodige uniformiteit te bewerkstelligen heeft de Minister van VWS in overleg met het veiligheidsberaad een Model Noodverordening opgesteld. Formeel zijn de voorzitters echter niet gehouden die letterlijk over te nemen, zo mogen ze hun eigen formulering kiezen. Wel moeten ze dezelfde beperkende maatregelen opleggen, ook al zouden zij de rechtmatigheid van sommige maatregelen in twijfel trekken. De bevoegdheid om noodverordeningen op te stellen is immers niet onbeperkt: de voorzitter mag in zijn noodverordeningen afwijken van de wet, maar niet van de Grondwet. In de opdracht van de Minister staat echter dat kerkdiensten getalsmatig dienen te worden beperkt.

In het licht van wat er in het buitenland is gebeurd, wekt dit geen verbazing. ‘Patient 31’ – voorganger van de Shincheonji-kerk van Jezus in Zuid Korea – besmette waarschijnlijk meer dan 1000 mensen. En ook in andere landen zijn kerkdiensten ware haarden van besmetting geweest.  

Strikt genomen mag de voorzitter de vrijheid van godsdienst niet beperken. De voorzitter bevindt zich in een geval als dit echter tussen twee vuren. Enerzijds heeft hij de grondwettelijke plicht de vrijheid van godsdienst gestand te doen. Anderzijds heeft hij de verdragsrechtelijke plicht om het leven van burgers te beschermen. In deze botsing van grondrechten lijkt het ons alleszins redelijk die laatste plicht het zwaarste gewicht toe te kennen, nu het leven van zoveel mensen direct en acuut gevaar loopt.

Het probleem van deze theorie is echter dat hiermee een schier onbegrensde noodverordeningsbevoegdheid ontstaat. En daar wordt volop gebruik van gemaakt als het aan de Minister voor Medische Zorg ligt. Aan hem staat immers een verbod op alle samenkomsten voor ogen. Niet alleen in de publieke ruimte, maar ook in woningen. Daarmee komt niet alleen de grondwettelijk beschermde vergadervrijheid maar ook het huisrecht in het gedrang. Verschillende voorzitters hebben inmiddels al laten weten ook tegen samenkomsten – feestjes – in de thuissituatie te zullen optreden, hoewel dat een regelrechte inbreuk vormt op het grondwettelijk beschermde huisrecht. Maar ook in die botsing van grondrechten is het verdedigbaar om de plicht om het leven van onderdanen te beschermen zwaarder te laten wegen dan de opdracht aan de overheid om het grondwettelijk gegarandeerde huisrecht te respecteren.

We moeten er daarom van doordrongen zijn dat een zodanige afweging uitsluitend en alleen gemaakt kan worden in een specifieke rampsituatie. Dat is de in artikel 1 Wet veiligheidsregio’s beschreven situatie waarin ‘het leven en de gezondheid van veel personen in ernstige mate zijn geschaad of worden bedreigd en waarbij een gecoördineerde inzet van diensten of organisaties van verschillende disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken’.

Noodzakelijk is ook dat duidelijk wordt gecommuniceerd wanneer sprake is van een samenkomst in de besloten sfeer. Alleen gezinsbijeenkomsten van het begrip samenkomst uitzonderen, is onvoldoende in de wetenschap dat er bijvoorbeeld ook studentenhuizen bestaan. Bepalend moet zijn dat er meer mensen in een woning aanwezig zijn dan die op het desbetreffende adres staan ingeschreven. De Minister van VWS lijkt uit te gaan van maximaal twee ‘bezoekers’ ervan uitgaande dat er thuis geen bijeenkomsten van religieuze of levensbeschouwelijke aard noch bedrijfsactiviteiten plaatsvinden.

De voorzitters zijn overigens ook anderszins belangrijke schakels in de bestrijding van een infectieziekte. Artikel 35 Wet publieke gezondheid (Wpg) kent bijvoorbeeld aan de voorzitter de bevoegdheid toe om een persoon onverwijld te doen onderwerpen aan de maatregel van quarantaine, indien: (a). er redenen zijn om aan te nemen dat die persoon recentelijk een dusdanig contact met een lijder of een vermoedelijke lijder aan een infectieziekte behorend tot groep A heeft gehad, dat deze persoon mogelijk met dezelfde ziekte is geïnfecteerd, (b). ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat door verspreiding van die infectieziekte, en (c). die persoon niet tot vrijwillige onderwerping aan die maatregel bereid is. De voorzitter van de veiligheidsregio kan toestaan dat de quarantaine onder zo nodig te stellen voorwaarden plaatsvindt in de woning van de af te zonderen persoon, de zogenoemde thuisquarantaine. Voor ‘mogelijk’ geïnfecteerde mogen we in samenhang met art. 31 Wpg onder c ook lezen ‘daadwerkelijke lijders aan de ziekte’. Degene die zich onttrekt aan de quarantainemaatregel riskeert op grond van art. 68 lid 3 Wpg een gevangenisstraf van maximaal vier jaren of een geldboete van € 87.000,-

Bekend is dat sommige infectieuze personen met lichte symptomen zich weinig gelegen laten liggen aan de van hen verwachte voorzorgsmaatregelen. Sommigen trekken er op uit alsof er niets aan de hand is. In een dergelijke geval dient de voorzitter het gebruik van voornoemde  bevoegdheid te overwegen. De uitdaging voor komende dagen zal zijn hoe dit juridisch te organiseren met behulp van huisarts en of Gemeentelijke Geneeskundig Dienst.

Een abstract geformuleerd ‘uitgaansverbod’ voor (mogelijk) geïnfecteerden in de noodverordening kan diegenen waarbij geen medisch diagnose is gesteld, weerhouden zich buitenshuis te begeven.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Coronacrisis en het recht (deel 6)

Coronacrisis en het recht (deel 5)

Handhaving van noodverordeningen

De voorzitters van de 25 veiligheidsregio’s hebben inmiddels allemaal noodverordeningen afgekondigd ter uitvoering van de besluiten van de Minister van VWS. Een dringende vraag die op dit moment speelt, is hoe de naleving van die noodverordeningen kan worden afgedwongen, bijvoorbeeld als een horecaondernemer die niet naleeft door zijn café geopend te houden.

Een burgemeester beschikt op grond van art. 125 Gemeentewet over een bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang ter handhaving van een noodverordening. Die kan de lokale burgemeester toepassen als de noodverordening niet wordt nageleefd.  

Althans de Afdeling bestuursrechtspraak heeft dit in de Fumigation-zaak (ABRvS 24 april 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AN6874) beslist dat deze cumulatie van bevoegdheden in het geval van een noodbevel mogelijk is. In de literatuur zijn hiertegen overigens wel overtuigende bezwaren aangevoerd.

Hoe dan ook, de voorzitter van de veiligheidsregio beschikt niet over een zodanige bevoegdheid. De bevoegdheid om een last onder bestuursdwang dan wel een last onder dwangsom op te leggen wordt in art. 39 Wet veiligheidsregio’s niet genoemd. Dat is de bepaling waarin alle bevoegdheden staan opgesomd die van de lokale burgemeester overgaan op de voorzitter bij opschaling.

De bevoegdheid tot het opleggen van de last onder bestuursdwang blijft met andere woorden volledig bij de lokale burgemeester. Die burgemeester kan echter zijn bestuursdwangbevoegdheid alleen inzetten bij zijn eigen lokale noodverordeningen, niet bij de handhaving van een noodverordening afkomstig van de voorzitter van de veiligheidsregio.

Het handhavingsprobleem is echter minder groot dan men vermoedt. De noodverordeningsbevoegdheid maakt deel uit van het instrumenterium dat te boek staat als de bevoegdheden ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde als bedoeld in art. 5: 23 Algemene wet bestuursrecht (Awb). De onmiddellijke handhaving is niets meer of niets minder dan de feitelijke dan wel daadwerkelijke handhaving van de openbare orde door de politie onder leiding van de burgemeester.

De bevoegdheid van de politie om op deze wijze het recht te handhaven is terug te voeren op art. 3 Politiewet: ‘De politie heeft tot taak (…) te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde (…).’ en art. 7 Politiewet: ‘De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld (…) te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. ‘

Art. 1 Ambstinstructie Politie enz. definieert geweld als: ‘elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken..’

Gezegd moet worden dat de onmiddellijke handhaving van de openbare orde met minder waarborgen is omgeven dan de reguliere handhaving van het recht. De urgente noodzaak van onmiddellijk ordeherstel rechtvaardigt dit.

Een voorbeeld van daadwerkelijke – fysieke – handhaving van de openbare orde kan dit verhelderen. In een discotheek vindt ‘s avonds laat een massale vechtpartij plaats. De door de politie gealarmeerde burgemeester sluit – om een nieuwe vechtpartij te voorkomen – het etablissement per direct. Hij is bevoegd dit kortlopend te doen op basis van zijn onmiddellijkheidsbevoegdheid in art. 174 lid 2 Gemeentewet: ‘ De burgemeester is bevoegd (…) de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.’ De politie kan dit besluit handhaven door iedereen fysiek uit de discotheek te verwijderen en het pand vervolgens dicht te timmeren zodat niemand meer binnen kan.

Deze onmiddellijke handhaving van de rechtsorde door de politie vertoont een sterke overeenkomst met de reguliere handhaving door middel van superspoedbestuursdwang. Art. 5: 23 Awb zorgt ervoor dat we ze niet mogen vereenzelvigen.

Een van de mogelijkheden tot handhaving van een noodverordening is derhalve de feitelijke handhaving ervan met behulp van fysieke maatregelen. Dat de mogelijkheid tot het fysiek afdwingen van de naleving bestaat, wil echter niet zeggen dat opsporingsambtenaren meteen rigoureus een restaurant of café moeten dichttimmeren bij het constateren van een overtreding. Art. 7 Politiewet bepaalt dat aan het gebruik van geweld zo mogelijk een waarschuwing vooraf gaat.

Hoewel Titel 5.3 Herstelsancties van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is, het lijkt desalniettemin aangewezen sommige van de bepalingen in deze titel analoog toe te passen. Het geven van een hele korte ‘begunstigingstermijn’ kan verstandig zijn als de regelgeving niet evident is. Wanneer een restauranthouder bijvoorbeeld de grens van de afhaalfunctie overschrijdt, is niet altijd duidelijk.

Een tweede handhavingsmogelijkheid is dat opsporingsambtenaren een proces-verbaal uitschrijven voor overtreding van art. 443 Wetboek van Strafrecht. Een uitspraak van de strafrechter hoeft niet te worden afgewacht. Het Openbaar Ministerie in de persoon van de officier van justitie kan op grond van art. 257a Wetboek van Strafvordering zelf een strafbeschikking opleggen, inhoudende een boete die op overtreding van art. 443 Wetboek van Strafrecht wordt gesteld.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Coronacrisis en het recht (deel 5)

Coronacrisis en het recht (deel 4)

A.J. Wierenga & J.G. Brouwer

De huidige aanpak van de coronacrisis krijgt niet alleen maar steun. Er zijn ook tegenstanders van de huidige aanpak. Hen staat een totale lockdown voor ogen zoals China die succesvol heeft toegepast. En die nu in andere landen als Italië, Spanje, Frankrijk en sinds vandaag ook in België wordt beproefd. Mocht Nederland deze maatregel in de toekomst ook noodzakelijk achten, is dan het afkondigen van een noodtoestand noodzakelijk? En hoe gaat dit dan in zijn werk en wat betekent dit?

Noodtoestand en lockdown

Onze Grondwet kent sinds 1887 een systeem van staatsnoodrecht. Het tegenwoordige art. 103 lid 1 Grondwet luidt: ‘De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.’ Ter uitvoering van deze bepaling is in 1996 de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden (CWU) tot stand gebracht. Die wet verordonneert dat ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid, de regering de ‘beperkte noodtoestand’ of de ‘algemene noodtoestand’ kan afkondigen. Het afkondigen van de beide onderscheiden noodtoestanden gebeurt bij koninklijk besluit op voordracht van de minister-president.

Het besluit tot afkondiging van een noodtoestand opent de bevoegdheid om – eveneens bij koninklijk besluit – specifieke ‘noodbepalingen’ opgenomen in reguliere wetten dan wel speciale  ‘noodwetten’ in werking te stellen. Een belangrijke wet in dit verband is de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Wbbbg). Die verstrekt onder meer bevoegdheden aan de regering om de regulier bevoegde bestuursorganen – zoals de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen –  aanwijzingen te geven bij de uitoefening van hun bevoegdheden. Om een voorbeeld te geven, art. 6 lid 1 Wbbbg kent aan de Minister van Justitie en Veiligheid de bevoegdheid toe om burgemeesters te instrueren als het gaat om de uitoefening van diens bevoegdheden in de sfeer van het handhaven van de openbare orde en veiligheid.

De ‘beperkte noodtoestand’ opent minder bevoegdheden dan de ‘algemene noodtoestand’. Tijdens de eerste is het slechts mogelijk de noodbepalingen in werking te stellen van lijst A behorende  bij de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Op die lijst staat de hierboven genoemde bepaling uit de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag alsmede vele andere noodbepalingen in andere wetten. De  eerder in deel 2 besproken artikelen 53 en 54 Wet veiligheidsregio’s staan daar ook op. Een ander voorbeeld is de bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken in art. 3 Hamsterwet om regels te stellen om het hamsteren van goederen tegen te gaan.

Tijdens de ‘algemene noodtoestand’ kunnen naast de bepalingen van lijst A, ook de noodbepalingen van lijst B inwerking worden gesteld. Die zijn nog ingrijpender van aard. Een goed voorbeeld daarvan is art. 18 lid 1 Wbbbg. Die bepaling geeft de Minister van Justitie en Veiligheid de bevoegdheid om ‘bij een bedreiging voor het volksbestaan’ ieder persoon te interneren ten aanzien van wie een gegrond vermoeden bestaat dat hij de openbare orde en veiligheid in gevaar zal brengen.

De Grondwet staat toe dat op grond van noodbepalingen tijdens een noodtoestand een aantal grondrechten wordt beperkt. Art. 103 lid 2 noemt achtereenvolgens: art. 6 Gw voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft (godsdienstvrijheid), art. 7, de vrijheid van meningsuitingsvrijheid, art. 8 de verenigingsvrijheid, art. 9 vergader- en betogingsvrijheid, art. 12  tweede lid (binnentredingswaarborgen woningen), art. 13 (briefgeheim) en tenslotte artikel 113, eerste en derde lid (rechtspraak).

Artikel 2 en 3 Coördinatiewet uitzonderingstoestanden bepalen dat het koninklijk besluit tot het instellen van een van beide noodtoestanden terstond wordt medegedeeld aan de Staten-Generaal. De Eerste en de Tweede kamer kunnen vervolgens in gezamenlijke vergadering de noodtoestand opheffen indien zij van oordeel zijn dat deze niet, of niet langer mag voortduren. De regering heeft ook de mogelijkheid om separaat noodbepalingen inwerking te stellen, zonder het uitroepen van de noodtoestand. Ook dan is de betrokkenheid van de Staten-Generaal vereist. Er dient onverwijld een voorstel van wet te worden ingediend om de separaat inwerking gestelde noodbepaling(en) van kracht te laten blijven. Daartoe zal een zogenoemde ‘verlengingswet’ moeten worden aangenomen. Dit vereist een fysiek samenkomen van de volksvertegenwoordigende lichamen, wat in tijden van een infectieziekte een nieuwe uitdaging kan opleveren. Het Ministerie van BZK bracht gisteren al een handreiking uit voor de continuïteit van het decentrale openbaar bestuur.

Tot op heden heeft de regering de noodtoestand in welke vorm dan ook maar zelden ingesteld. De regering beschouwt het afkondigen daarvan als een ingrijpende gebeurtenis die een escalerend effect kan hebben. Dat wil zij zo lang als mogelijk is vermijden. Het is ook om die reden eveneens mogelijk een of enkele noodbepalingen ‘separaat’ in werking te stellen zonder dat een noodtoestand wordt afgekondigd. Met deze optie kan het afkondigen van een noodtoestand zo lang mogelijk worden uitgesteld.

Voor het afkondigen van een noodtoestand dan wel het separaat in werking stellen van noodbepalingen geldt steeds de voorwaarde dat ‘buitengewone omstandigheden’ hiertoe noodzaken. Wanneer hieraan wordt voldaan, betreft een bestuurlijk oordeel. Leidend dient te zijn dat reguliere bevoegdheden ontoereikend zijn om aan de situatie het hoofd te kunnen bieden. Het staat vast dat de Coronacrisis als een buitengewone omstandigheid kan worden aangemerkt. Maar is het ook een omstandigheid die noodzaakt tot het aanwijzen van een noodtoestand? Dat hangt af van het antwoord op de vraag of met behulp van de ‘reguliere’ noodbevoegdheden de crisis daadkrachtig genoeg kan worden aangepakt. Aan welke bevoegdheden zou eventueel extra behoefte bestaan?

Als de bewegingsvrijheid verder moet worden beperkt, dan kan dit op basis van noodverordeningen. De vrijheid van bewegen is niet onderworpen aan de grondwettelijke eis dat alleen een wet afkomstig van regering en Staten-Generaal dit recht kan beperken. Beperking van de bewegingsvrijheid kan ook op een andere manier worden afgedwongen. Art. 8 lid 1 Wbbbg geeft aan de minister van Justitie en Veiligheid en de commissaris van de Koning de bevoegdheid om het ‘vertoeven in de open lucht te beperken’. Die zouden de bewegingsvrijheid kunnen beperken tot het bezoeken van supermarkten en medische hulpverleners. Artikel 8 lid 1 Wbbbg staat weliswaar op lijst A, dit kan echter ook los van een beperkte noodtoestand in werking worden gesteld bij koninklijk besluit op grond van art. 1 Wbbbg.

De begrenzing van de bewegingsvrijheid gaat echter op een zeker moment over in vrijheidsontneming. Daarvoor zou dan een solider wettelijke basis nodig zijn. Dat geldt ook voor een eventuele confiscatie van bijvoorbeeld medische apparatuur in privéklinieken. Supermarktketens dringen op dit moment aan op een maatregel die chartaal geld als wettig betaalmiddel tijdelijk opschort. Hiervoor lijkt de inwerkingstelling van art. 12 van de Noodwet financieel verkeer noodzakelijk te zijn. Ook dat kan separaat. Derhalve lijkt vooralsnog de noodzaak te ontbreken om over te gaan op een van beide noodtoestanden. Zijn er ingrijpender maatregelen noodzakelijk als een integrale lockdown, dan lijkt er geen ontkomen aan het afkondigen van een van beide noodtoestanden. Zo ver is het echter nog lang niet. Het valt echter niet uit te sluiten dat dit in de toekomst anders komt te liggen.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Coronacrisis en het recht (deel 4)

Coronacrisis en het recht (deel 3)

A.J. Wierenga & J.G. Brouwer

Implementatie van besluiten Minister van VWS

De voorzitters van de veiligheidsregio’s dienen de besluiten van de minister te ‘vertalen’ in algemeen verbindende voorschriften. Dat is niet alleen een omslachtige, maar ook een inefficiënte manier om de burgers bindende regels uit te vaardigen, nu het hele land – en niet een of enkele regio’s – worden getroffen door een virus. Zo is dit echter geregeld in de Wet publieke gezondheid (Wpg). Het verdient daarom aanbeveling om door middel van een modelverordening de voorzitters van de veiligheidsregio’s ter wille zijn. Dat zal overigens vandaag gebeuren.

De voorzitters van de veiligheidsregio’s maken gebruik van de noodverordeningsbevoegdheid, na soms aanvankelijk eigen initiatieven te hebben genomen op basis van een andere bevoegdheid. In de noodverordeningen worden evenementen met een deelname van meer dan honderd personen verboden, zowel in het openbaar als op besloten plaatsen. In de noodverordeningen treft men sinds zondag ook een verbod aan om een voor publiek openstaande inrichting (gebouw) geopend te houden (restaurants, cafés, sportscholen etc.), uitgezonderd vanzelfsprekend ziekenhuizen, uitvaartcentra, overheidsgebouwen en gebouwen die een vitale rol vervullen bij de vervulling van primaire levensbehoeften.

In een noodverordening kan niet alles geregeld worden. Art. 175 Gemeentewet bepaalt dat ‘van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften’ mag worden afgeweken. Met andere woorden, de voorzitters van de veiligheidsregio’s kunnen de wet terzijde stellen, maar niet de Grondwet. En dat zou nu juist beperkingen geven die we in deze crisis niet kunnen gebruiken. De overheid ontkomt er niet aan om grondrechten te beperken. In de noodverordeningen vragen de voorzitters hiervoor ook aandacht. En als we de noodverordeningen goed lezen, dan zien we dat het recht op privacy – formeel het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer – inmiddels wordt beperkt. Men mag uitsluitend nog maar kleine evenementen organiseren, ook – en hierom gaat het – op besloten plaatsen. Met de term ‘besloten plaatsen’ wordt bedoeld: niet-voor-publiek-toegankelijke gebouwen en woningen. Het gebruik van die term is minder gelukkig nu die een hele specifieke betekenis heeft in verband met het recht om de godsdienst of levensovertuiging vrij te belijden zoals beschermd in art. 6 Grondwet.

Betreft dit dan een rechtmatige beperking van wat wel genoemd het huisrecht? Of hoeven we ons hieraan niets gelegen te laten liggen? Op overtreding van een noodverordening wordt straf bedreigd in art. 443 Wetboek van strafrecht. In de juridische literatuur en rechtspraak wordt het beperken van grondrechten in een noodverordening gelegitimeerd indien het primaire doel van die verordening is het wegnemen van direct en acuut levensgevaar. De theorie hierachter is dat de overheid in een spagaat verkeert. Enerzijds moet zij de privacy respecteren, anderzijds heeft zij de positieve verplichting om het recht op leven, zoals beschermt in art. 2 EVRM gestand te doen. Een dergelijke botsing van grondrechten lost de rechter op door een belangenafweging. Zeker is dat de strafrechter in die afweging van belangen het recht op leven zwaarder zal wegen dan het recht op privacy.

Ook andere grondrechten kunnen in het geding komen. Tot nu toe is de vrijheid van vergadering en betoging nog niet opgeschort. Toch is het heel voorstelbaar dat dit gaat gebeuren, althans dat aan demonstraties bijvoorbeeld getalsmatig en fysiek beperkingen zullen worden gesteld. De meest zuivere manier om dit te doen is een betoging waarvan kennis is gegeven met het oog op de bescherming van de gezondheid te verbieden op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom). Van een dergelijk voornemen kan de voorzitter van de veiligheidsregio blijk geven op de website in de vorm van een beleidsregel. In het verleden is de vrijheid van demonstreren echter ook wel generiek opgeschort door middel van een noodverordening. 

Een apart probleem vormen kerkdiensten. Die zijn in ons rechtsstelsel schier onaantastbaar. Een bijeenkomst van godsdienstige of levensbeschouwelijk aard binnen gebouwen of besloten plaatsen als bedoeld in art. 6  lid 1 Grondwet kan formeel niet worden verboden. Als het noodzakelijk is zodanige bijeenkomsten te verbieden, dan zal de voorzitter van de veiligheidsregio gebruik dienen te maken van zijn bevoegdheid in art. 47 lid 3 Wet publieke gezondheid (Wpg): ‘In het geval van een besmetting waarbij ernstig gevaar dreigt voor de volksgezondheid, kan (…)  de voorzitter van de veiligheidsregio: a. gebouwen of terreinen dan wel gedeelten daarvan sluiten, (…). Nu het doel van die maatregel niet primair is om vrijheid van het belijden van een godsdienst of levensbeschouwing te beperken, maar een bijkomend effect is van het beschermen van de gezondheid, mag men voor ‘gebouwen’ ook kerken lezen. 

Voor een dergelijke uitleg zijn echter wel enige hobbels te nemen. Ten eerste heeft de wetgever in art. 1 sub s Wpg een gebouw gedefinieerd als ‘elk bouwwerk dat een overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt, met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van het belijden van godsdienst of levensovertuiging.’ Ten tweede heeft diezelfde wetgever in art. 47 Wpg het oog gehad op een individueel gebouw waarin een besmetting is geconstateerd. Dat verschilt van een hele categorie van gebouwen die potentieel als besmettingshaard dienst gaan doen. In een geval als dat van het coronavirus zijn er echter dwingende redenen voor het bestuur om deze bepalingen conform verdragsverplichtingen te interpreteren, nu het leven en de gezondheid van zo veel mensen acuut in gevaar zijn.

Lokale burgemeesters beschikken niet meer over de bevoegdheid om noodverordeningen uit te vaardigen ten behoeve van de rampenbestrijding en crisisbeheersing zolang sprake is van een opgeschaalde situatie. De noodverordeningen en ook de maatregelen op grond van de Wet openbare manifestaties dienen nu bij uitsluiting door de voorzitters van de veiligheidsregio’s uitgeoefend te worden. Dit geldt ook voor de sluiting van gebouwen en terreinen op grond van art. 47 Wpg, nu het coronavirus een infectieziekte uit groep A betreft. Dat de noodverordeningsbevoegdheid niet door de burgemeester van een gemeente (met de bijbehorende gemeenteraad) wordt uitgeoefend, maar de voorzitter van de veiligheidsregio, brengt dit overigens met zich mee dat de normale bekrachtigingsprocedure van gemeenteraden uit art. 176 de leden 3 t/m 6 niet van toepassing zijn. Dit geldt ook voor de mogelijkheid van administratief beroep op de commissaris van de Koning. Zijn schorsingsbevoegdheid zijn immers onderdeel van de nu niet van toepassing zijnde bekrachtigingsprocedure.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Coronacrisis en het recht (deel 3)

Coronacrisis en het recht (deel 2)

De juridische grondslag voor aansturing

A.J. Wierenga en J.G. Brouwer

Op donderdag 12 maart 2020 verbood de Minister van VWS naar aanleiding van adviezen van het OMT en het BAO ter voorkoming van de verdere verspreiding van het Coronavirus voor de periode van 13 maart tot en met 31 maart 2020 voor publiek toegankelijke bijeenkomsten van meer dan honderd personen in musea, concertzalen, theaters en bij sportwedstrijden alsook bij evenementen. En op zondag 15 maart verlengde hij die maatregel tot 6 april 2020 en sloot de minister daarnaast alle eet- en drinkgelegenheden, sport- en fitnessclubs, sauna’s, seksinrichtingen en coffeeshops voor die periode.

Verbieden heeft in dit verband een bijzondere betekenis. De minister heeft op grond van art. 7 Wet publieke gezondheid (Wpg) de voorzitters van de veiligheidsregio’s de opdracht gegeven om zijn maatregelen om te zetten in voor de burgers bindende besluiten. Die zijn hiertoe gerechtigd op grond van hun bevoegdheden op het terrein van openbare orde en veiligheid. De voorzitter van de veiligheidsregio beschikt hierover in het geval van opschaling naar GRIP4. Dan neemt hij krachtens van art. 39 Wet veiligheidsregio’s (Wvr) de bevoegdheden van de burgemeesters in zijn veiligheidsregio over op het terrein van openbare orde en veiligheid uit de Gemeentewet. In alle veiligheidsregio’s is al in een vroegtijdig stadium van de verspreiding van het coronavirus opgeschaald waardoor de voorzitter van de veiligheidsregio de bevoegdheden van de lokale burgemeesters uitoefent.

De Minister van VWS dient deze omweg van getrapte regelgeving te volgen omdat de Wet publieke gezondheid hem zelf geen regelgevende bevoegdheid toekent. Vanzelfsprekend moeten we meteen denken aan de noodverordeningsbevoegdheid. In een noodverordening staan algemeen verbindende voorschriften, dat wil zeggen voorschriften die voor een ieder gelden en die voor herhaalde toepassing vatbaar zijn. Misschien kan ook de bevoegdheid van art. 174 Gemeentewet nog enige soelaas bieden. De burgemeester kan op basis hiervan bevelen geven die met het oog op bescherming van de veiligheid of gezondheid nodig zijn in verband met samenkomsten en vermakelijkheden op voor het publiek openstaande plaatsen. De voorzitter kan in plaats van zijn noodverordeningsbevoegdheid ook gebruikmaken van een bevoegdheid die art. 47 Wpg hem biedt. De gebruikmaking van welke bevoegdheid de voorkeur geniet, is nu nog moeilijk te zeggen.

Eventueel kan de regering besluiten ook een geheel ander pad kiezen. Art. 5c Ambtsinstructie commissaris van de Koning biedt de Minister van Justitie en Veiligheid in samenhang met art. 42 Wvr de bevoegdheid om de commissaris van de koning op te dragen aanwijzingen te geven aan de voorzitter van de veiligheidsregio inzake de rampenbestrijding. Dat is slechts mogelijk in geval van een ramp of crisis  ‘van meer dan regionale betekenis’. Het lijdt geen twijfel dat hiervan sprake is in deze landelijke crisissituatie.

Maar ook dit is een omslachtige procedure. In een crisis van deze omvang is er behoefte om snel en efficiënt te handelen. In uiterste nood kunnen bij Koninklijk Besluit, op voordracht van de Minister-President, de artikelen 53 en 54 Wvr in werking worden gesteld. Deze artikelen geven de Commissaris de bevoegdheid om aan de burgemeesters in hun provincie in een concreet geval aanwijzingen te geven inzake de rampenbestrijding. Dit zou dan moeten gebeuren in overeenstemming met de aanwijzingen van de Minister van Veiligheid en Justitie.

Tot slot kan de Minister van Veiligheid en Justitie de bevoegdheden van de Commissaris van de Koning én de burgemeester in buitengewone omstandigheden geheel of ten dele aan zich trekken of een andere autoriteit daarmee belasten. Het ligt voor de hand om de Minister van VWS hiervoor aan te wijzen. Die Minister zou dan bijvoorbeeld een uniform gebruik van bevoegdheden kunnen voorschrijven aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s bij de implementatie van zijn maatregelen in plaats van zoals nu dit over te laten aan de voorzitters. Het zou de greep van de minister op de aanpak van de coronacrisis iets verstevigen.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Coronacrisis en het recht (deel 2)

Coronacrisis en het recht (deel 1)

A.J. Wierenga & J.G. Brouwer

Inleiding

De verspreiding van het Coronavirus (COVID-19) brengt heel veel vragen met zich mee van diverse aard. Ook juridische. Wie trekt aan de touwtjes in deze coronacrisis? Is dat de Minister van VWS of zijn dat de voorzitters van de veiligheidsregio’s? En spelen de burgemeesters van gemeenten ook nog een rol? Er zijn immers dit weekend tal van noodverordeningen uitgevaardigd. Wie heeft op welke grond de bevoegdheid om bijeenkomsten en evenementen met meer dan 100 personen te verbieden? Vallen daar ook demonstraties en godsdienstige samenkomsten onder? Wie heeft de bevoegdheid om scholen te sluiten, restaurants, fitnesscentra en sportaccommodaties? Wat is de reikwijdte van deze besluiten? En hoe wordt hieraan uitvoering gegeven? En ten slotte, wordt het geen tijd om de nationale noodtoestand af te kondigen zoals dat in de VS en bijvoorbeeld Spanje is gebeurd? We zullen deze en andere vragen de komende dagen op deze site gaan beantwoorden. We beginnen vanmorgen met de vraag wie wanneer aan zet is in deze coronacrisis.

De bevoegdheden van de Minister van medische zorg, voorzitters van veiligheidsregio’s en burgemeesters

Als het gaat om de preventie en bestrijding van infectieziektes dan is de Wet publieke gezondheid (Wpg) van groot belang. Die wet kent een indeling van ziektes die is gebaseerd op de mate waarin dwingende maatregelen opgelegd kunnen worden om de bevolking te beschermen. Infectieziekten vallen in groep A, B1, B2 of C. Het verbaast niet dat het Coronavirus (COVID-19) is ingedeeld in de hoogste categorie: groep A. Onder dwingende maatregelen vallen eenzijdige besluiten – dat wil zeggen ook tegen de wil van de patiënt – als opname tot isolatie in een ziekenhuis, thuisisolatie, medisch onderzoek, quarantaine met medisch toezicht als ook een verbod van beroepsuitoefening.

 Art. 7 lid 1 Wpg bepaalt dat de Minister van VWS (Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport) de leiding heeft bij de bestrijding van een infectieziekte uit groep A. Deze minister wordt bijgestaan door het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM. Binnen dit Centrum is de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) bij een uitbraak van infectieziekten verantwoordelijk voor (a) de inhoudelijke advisering van overheid en professionals over hoe deze uitbraak het beste kan worden bestreden en (b) voor de implementatie van het landelijke beleid. Hiertoe wordt een Outbreak Management Team (OMT) geformeerd waarvan (medische) professionals deel uitmaken. Alvorens de adviezen van het OMT te implementeren, vraagt de minister het Bestuurlijk Afstemmingsoverleg (BAO) er zijn licht over te laten schijnen. Het BAO wordt voorgezeten door de Directeur-Generaal Volksgezondheid (DGV) van het ministerie van VWS. Deelnemers zijn ambtenaren van de betrokken ministeries, afgevaardigden van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), GGD, GHOR Nederland, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de directeur CIb en de secretaris van het OMT. Uiteindelijk draagt de voor infectieziektebestrijding verantwoordelijke minister de voorzitters van de veiligheidsregio’s de door hem besloten maatregelen uit te voeren.

Art. 6 lid 4 Wpg bepaalt dat de voorzitter van de veiligheidsregio bij een infectieziekte uit groep A belast is met de uitvoering van de bestrijdingsmaatregelen. Hiertoe kent de Wet publieke gezondheid hem bevoegdheden toe. In art. 35  staat dat de voorzitter van de veiligheidsregio een persoon onverwijld kan doen onderwerpen aan de maatregel van quarantaine om de verspreiding van infectieziekten behorend tot groep A tegen te gaan. Artikel 38 bepaalt dat de voorzitter van de veiligheidsregio aan een persoon die gevaar oplevert voor de verspreiding van een infectieziekte behorend tot groep A het verbod kan opleggen om beroeps- of bedrijfsmatig werkzaamheden te verrichten, die een ernstig risico inhouden voor de verspreiding van die infectieziekte. Art. 47 lid 3 Wpg bepaalt dat in het geval van een besmetting waarbij ernstig gevaar dreigt voor de volksgezondheid, de voorzitter gebouwen of terreinen dan wel gedeelten daarvan kan sluiten. De voorzitter kan ook andere maatregelen treffen op grond van zijn bevoegdheden in de Wet veiligheidsregio’s. Waar zijn maatregelen zien op de bestrijding van de infectieziekte dient de uitoefening van deze bevoegdheden steeds in lijn te zijn met de instructies van de minister van Medische zorg. Ter naleving van zijn besluiten beschikt de voorzitter over een bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. Voorts wordt op overtreding van zijn besluiten straf bedreigd.

Heeft de burgemeester dan nog een taak bij de bestrijding van infectieziekte op grond van de Wet publieke gezondheid? Ja, maar uitsluitend en alleen als het een infectieziekte betreft uit de groepen b of c. Wel is de burgemeester belast met de onmiddellijke handhaving van de openbare orde. Die kan in gevaar komen als gevolg van ongeregeldheden bijvoorbeeld bij onenigheid over het hamsteren van goederen. Of wanneer de afgekondigde overheidsmaatregelen worden genegeerd of tot bijvoorbeeld tot protestacties leiden.

Art. 39 Wet veiligheidsregio’s bepaalt echter dat de voorzitter van de veiligheidsregio de bevoegdheden ter handhaving van de openbare orde van lokale burgemeesters in zijn veiligheidsregio overneemt, wanneer hij door het bijeenroepen van een regionaal beleidsteam opschaalt naar de Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdings Procedure van het type 4. In jargon GRIP4, waarbinnen is geregeld hoe de coördinatie tussen hulpverleningsdiensten verloopt. In deze procedure is de centrale gedachte dat grotere incidenten meer onderling gecoördineerd afgehandeld moeten worden.

Het opschalen naar een GRIP4 situatie kan alleen in geval van een ‘ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis’. Art. 1 Wvr bepaalt dat een ramp een zwaar ongeval is of een andere gebeurtenis waarbij het leven en de gezondheid van veel personen, het milieu of grote materiële belangen in ernstige mate zijn geschaad of worden bedreigd en waarbij een gecoördineerde inzet van diensten of organisaties van verschillende disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken. Art. 1 WVR definieert een crisis als een situatie waarin een vitaal belang van de samenleving is aangetast of dreigt te worden aangetast. Het lijdt geen enkele twijfel dat de massale verspreiding van het coronavirus is aan te merken als zowel een ramp als crisis. Dat die van meer dan plaatselijke betekenis is, staat evenzeer vast: de aanpak ervan vraagt maatregelen die de gemeentegrenzen overstijgen. De opschaling heeft daarom in alle 25 veiligheidsregio’s plaatsgevonden.

Dit betekent dat de bevoegdheden van de lokale burgemeesters in deze coronacrisis beperkt zijn. Die van de voorzitter van de veiligheidsregio zijn daarentegen groot. Hij is verantwoordelijk voor het uitvoeren van maatregelen zoals quarantaineverplichtingen op grond van de Wet publieke gezondheid bij infectieziekten van groep A alsook voor de uitoefening van de bevoegdheden ter handhaving van de openbare orde en veiligheid die regulier aan de lokale burgemeester toekomen. 

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Coronacrisis en het recht (deel 1)

Lokaal vuurwerkverbod onhaalbaar

J.G. Brouwer

Afgelopen zomer al werd het zwaarste vuurwerk – categorie F3 – voor de jaarwisseling 2020- 2021 verboden. Nu circuleert er een wijziging van de Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk (Ract) dat het toegestane consumentenvuurwerk verder inperkt tot ook enkelschotsbuizen, knalvuurwerk (incl. knalstrengen) en vuurpijlen. De importeurs en verkopers mogen genoemde vuurwerkproducten dan niet meer verkopen en de consumenten mogen deze niet meer kopen en afsteken.

Verschillende gemeenteraden hebben inmiddels echter aangekondigd een algeheel vuurwerkverbod in de gemeentelijke verordening op te nemen.

Zijn gemeenteraden hiertoe bevoegd? Nee, een dergelijk verbod is in strijd met wat in gemeenteland te boek staat als de bovengrens. De eerder genoemde Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk regelt uitputtend welk vuurwerk en het Vuurwerkbesluit wanneer dat mag worden afgestoken.

In artikel 2.3.6 van het Vuurwerkbesluit staat: ‘Het is verboden vuurwerk, anders dan bedrijfsmatig, tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar.’

Om afwijking hiervan op gemeenteraadsniveau expliciet mogelijk te maken, nam de Tweede Kamer in zomer van 2019 een motie hiertoe strekkende aan. In een brief van 17 december 2019 schreef het kabinet er naar te streven het Vuurwerkbesluit nog vóór de jaarwisseling in deze zin te zullen aanpassen. Dit is echter tot op heden niet gebeurd.  En of dat gaat gebeuren, staat niet vast.

Tot zolang kunnen gemeenteraden geen algeheel verbod invoeren, want dat zou neerkomen op het dwarsbomen van hogere besluitvorming.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Lokaal vuurwerkverbod onhaalbaar

Burgemeester Haarlemmermeer ging zijn boekje ver te buiten

J.G. Brouwer en A.E. Schilder

Een betoging van milieuorganisatie Greenpeace op Schiphol eindigde zaterdag met het afvoeren van demonstranten in bussen door de Koninklijke Marechaussee. De demonstranten eisten klimaatmaatregelen op korte termijn, zoals het invoeren van een belasting op kerosine en het afblazen van Lelystad Airport. Van de directie van Schiphol wilden zij een klimaatplan waarin concrete stappen worden gezet zoals het afschaffen van vluchten over korte afstanden. Eerder werden klimaatbetogers in Amsterdam ook al met geweld werden afgevoerd. De vraag die in dit artikel centraal staat, is of de marechaussee hiertoe bevoegd was.

Vooraf had de burgemeester van de gemeente Haarlemmermeer de demonstratie in Schiphol Plaza onderworpen aan voorschriften en beperkingen. Zo mochten de demonstranten alleen op het plein voor Schiphol Plaza betogen. Of de burgemeester hiervoor een goed argument had, valt te betwijfelen. Een dergelijke beperking kan hij in een geval als dit slechts geven als hij vreest voor wanordelijkheden. Bewust heeft de wetgever indertijd voor dit criterium gekozen en niet voor de lichtere maatstaf van verstoring van de openbare orde. Bij wanordelijkheden moeten we bijvoorbeeld denken aan misdrijven als vernieling of openlijke geweldpleging. Greenpeace staat juist bekend om haar vreedzaam verlopende demonstraties.

Hoe dan ook, Greenpeace besloot toch in Schiphol Plaza te gaan betogen. Daarmee maakten ze zich schuldig aan het overtreden van artikel 11 Wet openbare manifestaties: betogen daar waar dat niet is toegestaan. Dit betreft een overtreding waarop hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van €  4150,-  staat. In beginsel was het voldoende geweest als de illegale betogers gesommeerd waren te vertrekken en als ze dat zouden nalaten een proces-verbaal zou worden uitgeschreven. Maar in plaats daarvan is de Marechaussee op instigatie van de burgemeester als een olifant door de porseleinkast van het betogingsrecht gegaan.

Om 15.00 uur trad een noodbevel van de burgemeester van Haarlemmermeer in werking met daarin kort gezegd een bevel om zich te verwijderen en zich gedurende twee dagen verwijderd te houden alsmede om mee te werken aan een tijdelijke verplaatsing naar een door de burgemeester aangewezen plaats.Met dit noodbevel poogde de burgemeester blijkbaar de strafbare gedraging op te waarderen naar een misdrijf daar waar de wetgever deze als een overtreding heeft gekwalificeerd. Voorwaarde voor het afkondigen van een noodbevel is echter dat er sprake is van ernstige wanordelijkheden of een ramp dan wel ernstige vrees hiervoor. Evident is dat van geen van deze situaties in de verste verte sprake was. Een hoeveelheid van 250 demonstranten op een gemiddeld bezoekersaantal per dag van 200. 000  is niet bepaald een indicatie voor een aanstaande ramp of ernstige wanordelijkheden. Bij de ontvangst van de wereldkampioen handbalvrouwen een paar dagen later stonden er naar schatting meer personen onaangekondigd in de aankomsthal.

In totaal werden 26 mensen gearresteerd voor het niet-opvolgen van dit noodbevel. Daaronder bevonden zich ook mensen die niet demonstreerden maar in de buurt stonden. Zelfs een journalist in functie viel dit lot ten deel. Zij werden allemaal meegenomen voor verhoor naar de Koningin Máxima Kazerne in Badhoevedorp. Na  een ‘langdurig verhoor’ werden ze weer vrijgelaten. De laatste om 1.00 uur ‘s nachts. Meenemen voor verhoor is wettelijk toegestaan als dat noodzakelijk is voor onderzoek. Die noodzaak was hier ten ene male afwezig. Het lijkt er sterk op dat het motief van verhoor slechts een smoesje was om een aantal betogers  mee te kunnen nemen en ervoor te zorgen dat ze niet weer terug konden gaan.

De overige demonstranten zijn slechts  ‘bestuurlijk verplaatst’.  Ze werden zijn met bussen naar stations ver van Schiphol gebracht, onder meer in Krommenie, Uitgeest en Santpoort-Noord. Bovendien kregen ze een gebiedsverbod voor Schiphol van 48 uur. De bevoegdheid tot ‘bestuurlijke verplaatsing’ meent te burgemeester te kunnen ontlenen aan zijn noodbevel hierbij op het idee gebracht door een brief van de regering aan de Tweede Kamer uit 2011. Hierin wordt de suggestie gewekt dat een noodbevel gehandhaafd kan worden door middel van lijfelijke bestuursdwang: de wettelijk situatie wordt hersteld door verplaatsing van de overtreders. Je vraagt je af waarom we in 2000 zo’n ingewikkelde regeling als de ‘Wet bestuurlijke ophouding’ invoerden als deze simpele inzet van bestuursdwang mogelijk is. 

Vergeten wordt blijkbaar dat dit ‘meenemen’ in de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens wordt gezien als vrijheidsontneming, anders gezegd als een vorm van detentie. Een dergelijke maatregel kan alleen worden gerechtvaardigd indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 5 EVRM. Het valt moeilijk in te zien op welke van de genoemde gronden de burgemeester de detentie meent te kunnen rechtvaardigen.

Zou die rechtvaardiging al gevonden kunnen worden, dan is het evident dat onze eigen Grondwet zich tegen een praktijk als deze verzet. Art. 15 Grondwet eist een specifieke wettelijke grondslag voor vrijheidsontneming.  Er moet met andere woorden door de formele wetgever een bijzondere regeling zijn gemaakt die tot doel heeft om vrijheidsontneming mogelijk te maken. Aan dat vereiste voldoet de algemene noodbevelsbevoegdheid van art. 175 Gemeentewet niet. Dat de burgemeester wel mag afwijken van wetten, maar niet de Grondwet, is ook letterlijk vastgelegd in deze bepaling. Nood breekt wet, maar dus niet de Grondwet.

De conclusie is daarom dat de gedwongen verplaatsing van demonstranten naar andere gebieden,  in strijd is met ons rechtssysteem. We kunnen in het geval van de klimaatactivisten spreken van wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Daarmee zijn we weer terug bij af. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw experimenteerden burgemeester en hoofdcommissarissen van politie al volop met soortgelijke methoden als nu op Schiphol toegepast. Berucht was de methode Koppejan: potentiële Vietnam-demonstranten werden in busjes ergens ver weg van de Amsterdamse binnenstad  gedropt. Ze moesten maar zien hoe ze terugkwamen.

In 1998 werd tijdens de EU-top in Amsterdam een grote groep potentiële ordeverstoorders dagenlang vast gezet, formeel vanwege verdenking van lidmaatschap van een criminele organisatie. Na de Eurotop werden deze ten onrechte vastgehouden personen weer vrijgelaten. Een kleine schadevergoeding van minder dan 200 gulden was hun deel.  Stevige kritiek vanuit de Tweede Kamer en van de Nationale Ombudsman op dit onrechtmatige optreden was in 2000 de reden voor de introductie van de ‘Wet bestuurlijke ophouding’.

Dat die wet complexe toepassingsvoorwaarden kent, is geen argument om onrechtmatig de vrijheid van demonstranten te ontnemen. Het kan niet anders dan dat de rechter de burgemeester tot de orde roept.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Burgemeester Haarlemmermeer ging zijn boekje ver te buiten

Naar een Engelse Voetbalwet?

Afgelopen weekend was het weer zo ver. Zich zelf supporters noemende aanhangers van de voetbalclub Den Bosch gingen zwaar over de schreef door racistische teksten te roepen naar een zwarte voetballer van tegenstander Excelsior.

Groot was de verontwaardiging in de media, hoe selectief dan ook.  En natuurlijk was daar weer de roep om de Engelse Voetbalwet. Dit keer in het programma Pauw.

Laten we daarmee nu voor eens en altijd mee ophouden. De Nederlandse wetgeving – het gaat om een samenstel van wetten en regels – is vele malen strenger, geniepiger en effectiever.

De truc van de Engelse Voetbalwet is dat men naast het strafrecht een civielrechtelijke mogelijkheid heeft gecreëerd om hooligans een sanctie op te leggen. De bewijslast in die sector van het recht is vele malen lager dan in het strafrecht met als gevolg dat stadionverboden – banning orders – kinderlijk eenvoudig kunnen worden opgelegd.

Diezelfde list hebben wij in ons rechtstelsel toegepast. Alleen kan het bij ons nog makkelijker. Moet in Engeland de rechter eraan te pas komen, bij ons doet de KNVB dat zelf.

Kan de naleving bij ons goed worden afgedwongen met behulp van een meldplicht of nog beter met behulp van een last onder dwangsom van de burgemeester, in Engelse recht is men afhankelijk van de welwillendheid van clubs. De Anti-Hooligan Act kent die mogelijkheden niet.

Bovendien kunnen er in ons systeem boetes worden uitgedeeld, zelfs zonder tussenkomst van de rechter. Ook die optie bestaat in het Engelse stelsel niet.

Dus liever geen Engelse Voetbalwet hier? Dat is afhankelijk van uit welk perspectief men het hooliganprobleem benadert. Is dat vanuit effectiviteit en hoogte van de sancties, dan is het antwoord absoluut niet.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Naar een Engelse Voetbalwet?

De grenzen van het recht om te demonstreren

J.G. Brouwer en B. Roorda

Massale demonstraties zijn de laatste weken aan de orde van de dag. In Barcelona, in Santiago, in Londen, in Hongkong, overal gaat men de straat op om te demonstreren. Ook in ons land zagen we de afgelopen weken de ene na het andere betoging. Van boerenprotesten tot acties van klimaatactivisten en demonstraties tegen of voor de inval van Turkije in Syrië. Deze week nog zijn bouw- en infraondernemers, baggeraars en hoveniers opgetrokken naar Den Haag om daar hun onvrede te uiten.

Bij al deze protesten spelen keer op keer allerlei demonstratierechtelijke vragen. Mogen betogers verkeersovertredingen begaan door op de weg te lopen en te liggen of met tractoren drie rijen dik over de snelweg met een snelheid van 40 kilometer per uur te rijden? En rechtvaardigt het recht om te demonstreren het forceren van een deur van een provinciehuis? Of is de politie bevoegd, dan wel gehouden om demonstranten tijdens zo’n actie aan te houden? In de kern zijn deze vragen terug te  voeren op twee hoofdvragen. In de eerste plaats, welke acties vallen onder de bescherming van het betogingsrecht en welke niet. In de tweede plaats, wat is wel en wat is niet toegestaan bij demonstraties. Hieronder zetten wij uiteen hoe ons recht deze vragen beantwoordt.

Wat is een demonstratie?

Sinds 1983 garandeert artikel 9 Grondwet het recht tot betoging. Ook internationale verdragen beschermen dit recht, maar dan – zoals voor 1983 ook in onze Grondwet – onder de noemer van het recht van vergadering. Een belangrijke verdragsbepaling in dit verband is artikel 11 van het sinds 1953 geldende Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op vrijheid van vreedzame vergadering is neergelegd. 

Het fundamentele recht tot betoging houdt in dat een ieder de vrijheid heeft om samen met een of meer personen in het openbaar een mening te uiten. Bepalend is of een actie is gericht op het uitdragen van een gemeenschappelijke gedachte of wensen op politiek of maatschappelijk gebied. Een actie waarbij andere elementen dan gemeenschappelijke meningsuiting, zoals feitelijke dwang, de boventoon voeren, wordt niet aangemerkt als een demonstratie en komt geen grondwettelijke of verdragsrechtelijke bescherming toe.[1] De intentie van de actievoerders speelt daarbij een niet onbelangrijke rol, zo blijkt wel uit de volgende casus.

In de zogeheten ‘blokkeerfriezen’-zaak oordeelt de Rechtbank Noord-Nederland dat de door de blokkeerfriezen opgeworpen blokkadeactie op de snelweg niet de bescherming van het recht om te demonsteren toekomt. Bepalend voor de rechter was dat het doel van de actie niet primair gericht was op het uiten van een mening, maar op het frustreren van een demonstratie, namelijk die van Kick Out Zwarte Piet in Dokkum.[2]

Een blokkadeactie in Amsterdam die vooral was gericht op een confrontatie met de ME om de ontruiming van een kraakpand te verhinderen, wordt door de rechter – in dit geval de Hoge Raad – evenmin als een betoging gekwalificeerd.[3]

Het vastketenen aan een hijskraan om een demonstratie tegen de plaatsing van een zendmast voor het C2000-netwerk kracht bij te zetten, wordt door de Rechtbank Rotterdam daarentegen wel als een betoging aangemerkt.[4]

Ook uit Europeesrechtelijke jurisprudentie blijkt dat een blokkadeactie wel degelijk de bescherming van het demonstratierecht kan toekomen. Zo oordeelde het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Kudrevičius e.a. tegen Litouwen (2015) bijvoorbeeld dat een demonstratieve blokkade van drie autosnelwegen door boeren onder de reikwijdte van de vrijheid van demonstreren in de zin van artikel 11 EVRM valt.[5]

Als een actie de grondwettelijke en/of verdragsrechtelijke bescherming van een demonstratie toekomt, wil dat nog niet zeggen dat zij niet mag worden beperkt, verboden of beëindigd? Noch dat alles wat de actievoerders ondernemen, is toegestaan.

Onder welke voorwaarden mag een demonstratie worden beperkt, verboden of beëindigd?

Het recht op vrijheid van betogen is een van de essentiële pijlers van een democratische samenleving.[6] Beperkingen moeten derhalve strikt worden geïnterpreteerd en de noodzaak van eventuele beperkingen dient overtuigend te worden vastgesteld. Demonstranten mogen in beginsel zelf de plaats, het tijdstip en de vorm van hun demonstratie kiezen.[7]

Uitsluitend voor zover dat noodzakelijk is, mag de burgemeester beperkingen en voorschriften stellen. Hij dient zich echter zo veel als redelijkerwijs mogelijk is in te spannen om een demonstratie doorgang te laten vinden binnen zicht- en geluidsafstand – ‘within sight and sound’ – van het doel waartegen de demonstranten zich richten.[8]

De burgemeester mag zich in het geheel niet bemoeien met de inhoud van de demonstratie, zelfs niet als die inhoud strafbaar zou zijn. Deze regel die expliciet is neergelegd in artikel 5 lid 3 van de Nederlandse demonstratiewet – de Wet openbare manifestaties (Wom) – heeft alles te maken met het censuurverbod van artikel 7 lid 3 Grondwet: de overheid mag zich niet voorafgaand bemoeien met hetgeen iemand wil uiten.[9]

In dit verband zij ook gewezen op het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), dat keer op keer in zijn rechtspraak bepaalt dat ook uitingen die choqueren, kwetsen of verontrusten, vallen onder de bescherming van de demonstratievrijheid. ‘Such are the demands of that pluralism, tolerance and broadmindedness, without which there is no democratic society’, aldus het Hof.[10]

Demonstratie geen vrijbrief om regels te overtreden

De hoofdregel is dat alle gedragingen die door de formele wetgever strafbaar zijn gesteld, ook strafbaar zijn tijdens een betoging. Zo volgt uit artikel 9 lid 1 Grondwet, waarin staat dat het recht tot betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Een demonstrant die in het Wetboek van Strafrecht (Sr) strafbaar gestelde uitingen doet – te denken valt aan opruiing (artikel 131 Sr), bedreiging (artikel 285 Sr), belediging van een groep mensen vanwege bijvoorbeeld hun ras (artikel 137c Sr) of aanzetten tot haat of discriminatie (artikel 137d Sr) –, pleegt derhalve een strafbaar feit.[11] Of hij wordt vervolgd, hangt van de officier van justitie af.

Op de hoofdregel – dat demonstranten zich hebben te houden aan formeel-wettelijke strafbepalingen – bestaat ten minste een belangrijke uitzondering. Een demonstrant die een weg blokkeert, maakt zich schuldig aan een strafbaar feit, hij overtreedt immers de Wegenverkeerswet. De strafbaarheid komt echter te vervallen indien hij deel uitmaakt van een demonstratie die de door de burgemeester voorgeschreven route volgt, ook al hindert hij daarbij het verkeer. De ‘toestemming’ van de wettelijk bevoegde autoriteit neemt als het ware de strafbaarheid van de gedraging weg. Voor vernieling kan en zal een burgemeester echter geen ‘toestemming’ verlenen.

Die instemming misten Greenpeace-demonstranten toen zij de Mijnbouwwet – een wet van onze formele wetgever – overtraden door een boorplatform net ten noorden van Schiermonnikoog te bezetten. De strafrechter merkte die bezetting weliswaar aan als een demonstratieve actie, maar maakte een belangenafweging of het gedrag van de verdachte strafbaar was. Hij kwam niet op voor een eigen, maar voor een maatschappelijk belang: de actie vond plaats in het kader van een breed maatschappelijk debat over gasboringen nabij de Waddenzee. Mede vanwege de beperkte duur, de geringe hinder en de afwezigheid van concreet gevaar – de actie was zorgvuldig en professioneel voorbereid en uitgevoerd – alsmede de omstandigheid dat Greenpeace eerder probeerde om op minder ingrijpende wijze de eigenaar en operator van het boorplatform op andere gedachten te brengen, ontsloeg de rechtbank de Greenpeace-demonstrant van alle rechtsvervolging.[12]

We herkennen hierin noodzakelijkheidstoets van artikel 11 lid 2 EVRM. Of sprake is van een noodzaak om op grond van de wettelijk vastgelegde beperkingsdoeleinden het recht op vrijheid van betoging te beperken, hangt steeds af van de bijzondere omstandigheden in de zaak. Dat heeft het Europese Hof in een lange reeks van uitspraken telkens weer beslist.

Dat die toets – waarvan de subsidiariteits- en proportionaliteitseis deel uitmaken – niet altijd ten gunste uitvalt van de demonstrant, blijkt in de zaak Kudrevičius. Hij blokkeerde samen met andere boeren demonstratief dagenlang drie snelwegen. Hiervoor werd hij volgens het EHRM terecht bestraft, ondanks dat strafrechtelijke sancties door het EHRM met argusogen worden bekeken.[13] Vrijheidsstraffen worden nog kritischer benaderd.[14]

Toelaatbaarheid boerenprotesten

Laten we die laatste zaak nu eens tegen het licht houden van sommige van onze eigen boerenacties, om te beginnen de kennisgegeven demonstratie in Den Haag op 16 oktober jongsleden. Tijdens die demonstratie overtraden de boeren de door de burgemeester op grond van de Wet openbare manifestaties gestelde beperking om met meer dan 75 trekkers op het Malieveld te verschijnen.[15] De burgemeester had goede redenen om het aantal hiertoe te beperken. Meer zware trekkers zou een gevaar veroorzaken voor de hieronder gesitueerde parkeergarage.[16] Overtreding van een dergelijk door de burgemeester gegeven voorschrift levert een strafbaar feit op volgens artikel 11 Wom. Over het antwoord op de vraag welk belang hier het zwaarst moet, kan verschil van mening bestaan.

Op weg naar Den Haag legde de agrarische colonne de volledige ochtendspits lam met navenant schade en ongemak. Voor tractoren geldt vanwege hun lage maximum snelheid een verbod om op de snelweg te rijden.[17] De eerste vraag die opkomt, is of het aanrijden onderdeel uitmaakt van een demonstratie. Die zou immers de strafbaarheid van de gedraging kunnen wegnemen. Van een kennisgeving van een demonstratie aan de burgemeester van de vele betrokken gemeenten was formeel geen sprake. Derhalve zou het al om een spontane betoging moeten gaan. Het recht om spontane demonstraties te houden, kan de verplichting om vooraf geen kennis te geven alleen in bijzondere omstandigheden teniet doen. Volgens het Europese Hof dient de betoging dan wel een onmiddellijke reactie te zijn op een actuele gebeurtenis of een actueel voorval. In het bijzonder kan een dergelijke afwijking van de algemene regel gerechtvaardigd zijn, indien een latere demonstratieve actie als mosterd na de maaltijd zou komen.[18] (zie Éva Molnár tegen Hongarije, nr. 10346/05, 7 oktober 2008 en Skiba tegen Polen, nr. 10659/03, 7 juli 2009) ). Of er sprake was van een zodanige actuele gebeurtenis die een onmiddellijke reactie rechtvaardigde, is op z’n minst discutabel.

Overigens staat de Wet openbare manifestaties eraan in de weg dat de burgemeester een betoging verbiedt of beëindigt om de enkele reden dat niet voldaan is aan de kennisgevingplicht. Daarvoor is altijd vereist dat een van de drie beperkingscriteria van artikel 2 Wom dit kan rechtvaardigen: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.[19] Strikt genomen maken demonstranten zich wel schuldig aan een overtreding in de zin van artikel 11 Wom indien zij een niet kennisgegeven demonstratie houden of daaraan deelnemen.[20]

Als er geen sprake is van een grondwettelijk en/of verdragsrechtelijke beschermde demonstratieve actie, dan is het rijden met een tractor op de snelweg welhaast per definitie strafbaar. Is wel sprake van een beschermde actie, dan zou in lijn met de hiervoor genoemde uitspraak in de Greenpeacezaak een belangenafweging moeten uitwijzen of gedragingen strafbaar zijn. Factoren hierin van belang zijn dat (a) de boeren opkwamen voor zichzelf, (b) de acties van de boerenbetogers niet rechtstreeks waren gericht op de besluitvorming die zij afkeurden, maar op het fysiek blokkeren van snelwegen voor goederenvoertuigen en personenauto’s die geen direct verband hielden met het doel van hun protest. De boeren liepen immers te hoop tegen besluitvorming van de regering. Hier staat echter tegenover dat (c) de boerenacties kort duurden en voor betrekkelijk weinig ongemak en schade leidden en (d) brede maatschappelijk steun leken te krijgen.[21] Ten aanzien van dit laatste belang zijn wij kritisch. Net zo goed als de burgemeester moet ook de rechter zich van een dergelijke inhoudelijke beoordeling onthouden. Of het uitgedragen standpunt door een meerderheid dan wel een minderheid wordt gedeeld, doet er niet toe, nu de betekenis van het betogingsrecht vooral gelegen is in de mogelijkheid van minderheidsgroepen om afwijkende meningen naar buiten te brengen. Met toetsing aan het algemeen belang zal men daarom zeer terughoudend dienen om te gaan.’[22]

Beweren dat de demonstratieve acties een laatste redmiddel waren in een situatie van ernstige financiële moeilijkheden om boeren hun legitieme belangen te beschermen, is onjuist. Aan de boeren stonden (e) rechtmatige middelen ter beschikking om voor hun belangen op te komen. Ze zouden heel goed tegen de in hun ogen onrechtvaardige regelgeving bij de rechter kunnen opkomen.

Conclusie

Alles wegende, geven we deze boerenprotesten vooralsnog het juridische voordeel van de twijfel, maar van een evenwicht tussen enerzijds beperkingen en anderzijds vrijheid van betogen kan bij een volgende gelijksoortige actie wel eens geen sprake zijn.


[1] Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 8-9; EHRM 11 oktober 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:1011JUD001423707, appl.nr. 14237/07 (Tuskia e.a./Georgië), EHRC 2019, 24, m.nt. B. Roorda, zie met name par. 69 en punt 2 van de annotatie.

[2] Rb. Noord-Nederland 9 november 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:4559, AB 2019, 475, m.nt. B. Roorda en J.G. Brouwer, zie met name punt 6 van de annotatie.

[3] HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:669, AB 2017, 230, m.nt. J.G. Brouwer en B. Roorda.

[4] Rb. Rotterdam 28 februari 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BP6099.

[5] EHRM (Grote Kamer) 15 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1015JUD003755305, appl.nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a./Litouwen), par. 97.

[6] Zie bijv. EHRM (Grote Kamer) 15 november 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:1115JUD002958012, appl.nr. 29580/12, 36847/12, 11252/13, 12317/13, 43746/14 (Navannyy/Rusland), par. 98; ECRM 6 maart 1989, ECLI:CE:ECHR:1989:0306DEC001307987, appl.nr. 13079/87 (G./Duitsland).

[7] EHRM 27 november 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:1127JUD005805008, appl.nr. 58050/08 (Sáska/Hongarije), par. 21.

[8] EHRM 7 februari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0207JUD005781809, appl.nr. 57818/09, 51169/10, 4618/11, 19700/11, 31040/11, 47609/11, 55306/11, 59410/11, 7189/12, 16128/12, 16134/12, 20273/12, 51540/12, 64243/12, 37038/13 (Lashmankin e.a./Rusland), EHRC 2017, 88, m.nt. B. Roorda, par. 405 en punt 3 van de annotatie.

[9] Zie in dit verband ook onze annotaties onder Rb. Amsterdam (ktr.) 8 december 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:8060, AB 2017, 44 en Rb. Den Haag (vzr.) 7 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:12148, AB 2016, 445.

[10] EHRM 2 oktober 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:1002JUD002922195, appl.nr. 29221/95, 29225/95 (Stankov en The United Macedonian Organisation Ilinden/Bulgarije), par. 86.

[11] Zie in dit verband Hoge Raad 21 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9512, NJ 1995, 452 inzake een demonstrant die door de rechter wordt veroordeeld voor het dragen van een hakenkruis tijdens een betoging met als bedoeling het nationaalsocialistische gedachtegoed uitdragen. De Hoge Raad veroordeelt de demonstrant voor belediging van een groep mensen wegens hun ras (artikel 137c Sr). De context waarin een hakenkruis tijdens een betoging wordt getoond is volgens het OM overigens wel van belang voor de vraag of het een strafbare uiting betreft, zie in dat verband https://www.tubantia.nl/nieuws/arrestanten-vrijuit-na-tonen-hakenkruis-in-enschede~ab2b3ebb/. Zie verder Rb. Den Haag 12 september 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10892 inzake een demonstrant die tijdens een pro-IS-betoging roept dat het leger van Mohammed zal terugkeren, dat Shaam gezuiverd moet worden van Joden en die roept en/of laat roepen ‘Vuile Joden. Dood aan de Zionist’. De rechter veroordeelt de demonstrant voor het beledigen van een groep mensen wegens hun ras en voor het aanzetten tot haat en geweld (artikelen 137c en 137d Sr). Zie ook Rb. Amsterdam 23 april 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2915 inzake een demonstrant die roept ‘als je Thierry dood wil schieten, zeg dan paf’. De rechtbank veroordeelt de demonstrant voor opruiing en bedreiging (artikelen 131 en 285 Sr).

[12] Rb. Amsterdam 2 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4022, AB 2019, 479, m.nt. B. Roorda en J.G. Brouwer.

[13] EHRM 17 mei 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0517JUD002849506, appl.nr. 28495/06, 28516/06 (Akgöl en Gol/Turkije), par. 43.

[14] EHRM 18 juni 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0618JUD000802907, appl.nr. 8029/07 (Gün e.a./Turkije), par. 83.

[15] https://www.ad.nl/den-haag/den-haag-maakt-zich-klaar-voor-boerenprotest-geen-beperking-van-aantal-trekkers~a65e1439/.

[16] https://www.ad.nl/den-haag/verbod-zware-tractoren-op-malieveld-ondergrondse-parkeergarage-kan-druk-niet-aan~af3b037b/.

[17] Artikel 42 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

[18] EHRM 7 oktober 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1007JUD001034605, appl.nr. 10346/05 (Éva Molnár/Hongarije), par. 35-38; EHRM 7 juli 2009, appl.nr. 10659/03 (Skiba/Polen).

[19] Zie hierover bijvoorbeeld ‘Reactie op de evaluatie van de Wet openbare manifestaties’ van de minister van Binnenlandse Zaken & Koninkrijksrelaties, 17 januari 2017, kenmerk 2016-000080444427; zie ook B. Roorda, Het recht om te demonstreren (diss. Groningen), Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 191-205.

[20] Zie Rb. Overijssel 14 augustus 2018, parketnummer 08-032361-18 (niet gepubliceerd) waarin de kantonrechter een boete van 750 euro oplegt voor overtreding van artikel 11 lid 1 sub a Wom; zie hierover ook https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Overijssel/Nieuws/Paginas/Voorman-Pegida-beboet-voor-te-laat-melden-demonstratie-Enschede.aspx.

[21] Ook in civielrechtelijke uitspraken hanteren rechters vergelijkbare criteria bij het vinden van een evenwicht tussen enerzijds een vrijheidsrecht – hetzij de vrijheid van meningsuiting hetzij de vrijheid tot betoging – en anderzijds het uitgangspunt in ons recht dat het onrechtmatig is een ander bewust schade toe te brengen (artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek). Zie voor een bespreking hiervan: B. Roorda, ‘Burgerlijke ongehoorzaamheid als juridische rechtvaardigingsgrond?’, NTM/NJCM-bull. 2013, 19 onder Rb. Amsterdam (vzr.) 5 oktober 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX9310 (Shell/Greenpeace).

[22] A.E. Schilder, Het recht tot vergadering en betoging; een rechtsvergelijkende studie naar het Nederlandse en Westduitse recht (diss. Leiden), Arnhem: Gouda Quint BV 1989, p. 57.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor De grenzen van het recht om te demonstreren