De coronacrisis en het recht (deel 23)

Coronatoegangspasverplichting

                J.G. Brouwer

Inleiding

Per 25 september 2021 zijn uitbaters van eet- en drinkgelegenheden,  bioscopen, theaters en concertzalen, alsmede organisatoren van evenementen waaronder professionele sportwedstrijden gehouden bezoekers van 13 jaar en ouder slechts toe te laten indien zij beschikken over een vaccinatiebewijs, of een bewijs van herstel van de infectie, dan wel een negatief testbewijs van maximaal 24 uur oud. Alle drie in combinatie met een geldig identificatiebewijs. Een uitzondering geldt voor bij eet- en drinkgelegenheid behorende terrassen in de buitenlucht. Deze maatregel vervangt de verplichte 1,5 meter afstandsmaatregel, de verplichting om te placeren en de maximering van bezoekersaantallen.

Op 6 oktober diende een kort geding tegen de Nederlandse staat, waarin eisers stelden dat de (a) ‘coronapasverplichting’ een wettelijke basis ontbeert, (b) de noodzaak tot het invoeren hiervan niet aanwezig is en (c) dat het vragen naar een coronatoegangsbewijs in voor-publiek-toegankelijke-plaatsen als onder meer horecagelegenheden discriminatie oplevert. Wat beslist de rechter en hoe komt de voorzieningenrechter tot dit oordeel?

Achtergrond maatregel

Volgens het Outbreak Management Team (OMT) hebben plus minus 3,5 – 4,4 miljoen personen infecties doorgemaakt. Daarnaast heeft zo’n kleine 11 miljoen mensen immuniteit opgebouwd door vaccinatie. Daarnaast heeft naar schatting tussen 3,5 – 4,4 miljoen personen infecties door gemaakt. Op grond hiervan berekent het OMT het aantal mensen dat nog geen afweer tegen het coronavirus heeft opgebouwd op 1,8 miljoen personen. Besmetting van die groep zal in de berekeningen van het OMT leiden tot 16.000 tot 22.000 ziekenhuisopnames en 2.200 tot 3.400 IC-opnames.

Dergelijke aantallen zullen bij onvoldoende spreiding in de tijd tot onoverkomelijke problemen in de zorg leiden. Niet alleen voor de besmette personen zelf, maar ook voor – wat wordt genoemd – de reguliere zorg. Volledig afscheid nemen van alle coronamaatregelen lijkt om die reden onverstandig.

De invoering van het coronatoegangsbewijs dient als doel de verspreiding van het coronavirus met name onder niet-gevaccineerde personen tegen te gaan. Niet alleen zijn deze mensen veel vatbaarder voor het virus en lopen zij daarmee een aanmerkelijk grotere kans op ziekenhuisopname, maar ook is de kans op verspreiding van het virus veel hoger. Zelfs na een negatieve antigeensneltest is de kans dat iemand besmettelijk virus bij zich draagt en daarmee potentieel besmettelijk is nog altijd circa tweemaal zo groot is dan de kans dat een volledig gevaccineerd persoon het virus draagt.

Toetsing door rechter

De civiele rechter – dit geldt nog sterker voor de voorzieningenrechter – stelt terughoudend op bij de beoordeling van de keuzes die de Staat binnen de grenzen van zijn beleidsvrijheid maakt. In beginsel is het aan de wetgever en het bestuur om de crisis te bestrijden De rechter toetst slechts of de Staat in redelijkheid voor het gevoerde beleid heeft kunnen kiezen. Als dit niet het geval is, dan is er is slechts plaats voor rechterlijk ingrijpen. Die ruimte is er ook wanneer de Staat een maatregel treft zonder dat hiervoor een wettelijke grondslag bestaat. In een rechtsstaat dient elk overheidsingrijpen terug te voeren te zijn op een wettelijke grondslag. Is dat niet geval, dan is sprake van onmiskenbaar onverbindende regelgeving en alleen dan komt aan de civiele rechter in kort geding de bevoegdheid om bepalingen in formele wetten of ministeriële regelingen (al dan niet tijdelijk) buiten werking te stellen.

Wettelijke grondslag

Eisers stellen ten eerste dat de coronatoegangspasverplichting een wettelijke basis ontbeert, althans dat de grondslag, niet deugdelijk is. Hoe zit dat? In de Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen (Stb. 2021, 240) van 1 juni 2021 is een bevoegdheid toegekend om in een ministeriële regeling voorschriften te geven die de toegang beperken. Volgens artikel 58ra Wet publieke gezondheid kan een dergelijke maatregel alleen op de volgende terreinen gelden: (a) cultuur, (b). evenementen, (c) georganiseerde jeugdactiviteiten, (d) . horeca en (e) sport.

Volgens artikel 58rb Wet publieke gezondheid mag de bevoegdheid worden toegepast onder strikte voorwaarden. De regels moeten onder meer uitvoerbaar en doelmatig zijn, mede gelet op de aanvang en duur van de periode waarin de regels van toepassing zijn. Ook moeten ze gepaard gaan met voorzorgsmaatregelen om eventuele maatschappelijk ongewenste effecten te voorkomen, weg te nemen of te verminderen. In dat verband moeten we denken aan afbreuk van andere maatregelen tegen verspreiding van het virus, vermijdbare achterstanden of ongelijke toegang tot activiteiten, voorzieningen of onderwijs. Ook moet een zodanige maatregel in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat.  Bovendien dient de inbreuk op grondrechten zo beperkt mogelijk te blijven en evenredig te zijn met het doel van de maatregelen: bestrijding van de epidemie, of een directe dreiging daarvan.

De desbetreffende ministeriële regeling is conform artikel 58c Wet publieke gezondheid op 16 september 2021 door de Tweede Kamer goedgekeurd. Volgens eisers is zij echter onverbindend omdat er sprake zou zijn van ontoelaatbare overdracht van een bevoegdheid: alleen de wetgever zelf – regering en Staten-Generaal tezamen – mag grondwettelijke beschermde grondrechten beperken. Als de wetgever delegeert dan mag in die opdracht geen enkele beleidsvrijheid voor de minister zitten.

Aan beantwoording van de vraag of verboden delegatie plaatsvindt, hoeft de rechter evenwel in dit geval niet toe te komen. De ministeriële regeling beperkt geen door de Grondwet beschermde grondrechten. Slechts de bewegingsvrijheid van personen is als gevolg van de maatregel onderhevig aan beperkingen. Die vrijheid vindt alleen bescherming in het Vierde Protocol  van het Europees Verdrag voor de Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) en dat kent de strenge delegatiesystematiek van onze Grondwet niet. Een beperking dient  (a) te berusten op een wettelijke grondslag van welk niveau dan ook; (b) ingegeven te zijn door een legitiem doel en (c) noodzakelijk te zijn in een democratische rechtsorde. In verband met de laatste toets dient de beperking een geschikt middel te zijn en proportioneel te zijn in relatie tot het nagestreefde doel. Eisers refereren echter niet aan de bewegingsvrijheid.

De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag overigens niet geheel op juridisch correcte wijze, voor het eindresultaat maakt dit echter geen verschil: de coronapasverplichting ontbeert geen wettelijke basis.

Noodzakelijkheid

Een tweede punt van eisers is dat voor de maatregelen geen enkele noodzaak meer bestaat zoals artikel 58b Wpg vordert: ‘(1) Dit hoofdstuk is van toepassing op de bestrijding van de epidemie, of een directe dreiging daarvan. (2) a. De bij of krachtens dit hoofdstuk toegekende bevoegdheden worden slechts toegepast voor zover die toepassing: a. gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid noodzakelijk is.’

De rechter stelt zich hier de vraag of de Staat in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat nog altijd sprake is van een ernstige bedreiging van de volksgezondheid. In die beoordeling moet een rechter zich terughoudend opstellen als het gaat om beleidskeuzes. Een rechter heeft verstand van het recht, niet of minder van hoe de bestrijding van een virus zich het beste laat inrichten. Dat is volgens de Wet publieke gezondheid aan de regering.

De regering die mag bij maken van keuzes zich verlaten op aanbevelingen van het OMT en vele andere adviesorganen.  In de OMT-adviezen van 11 augustus 2021 en 13 september 2021 staat dat het loslaten van de anderhalve-meter-afstandsnorm kan leiden tot een aanzienlijke opleving van het virus deze winter. Zodanig risico kan naar verwachting van het OMT alleen beperkt worden door een brede inzet van het coronatoegangsbewijs in risicovolle situaties.

Het testen voor toegang heeft daarmee een legitiem doel, volgens de rechter. Bovendien is de coronapasverplichting epidemiologisch noodzakelijk en een met het eerdergenoemde doel evenredig en een proportioneel middel, gelet op (a) de tijdelijkheid van de maatregel b) de omvang verplichting – die geldt slechts voor een beperkt aantal locaties in niet-essentiële sectoren; (c) het niet of nauwelijks invasieve karakter van de test  nu die niet hoogfrequent zal worden afgenomen; (d) diverse uitzonderingen van de verplichting en (e) een regeling (artikel 6.33 Trm) voor het geval een persoon vanwege een beperking of een ziekte geen dan wel bezwaarlijk de test kan ondergaan Het kosteloos kunnen verwerven van het verlangde testbewijs versterkt dat oordeel.

Geen discriminatie

Een derde punt van eisers is dat de coronapasverplichting op basis van de gezondheids- of vaccinatiestatus in strijd is het verbod van ongelijke behandeling van onder meer artikel 1 Grondwet en artikel 14 Europees Verdrag voor de Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM).  Volgens het Europese Hof is een verschil in behandeling discriminerend, indien hiervoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat (zie bv. EHRM 24 mei 2016, Biao vs. Denemarken). Daarvan is sprake indien er geen legitiem doel wordt nagestreefd of wanneer er geen sprake is van een evenredige verhouding tussen het nagestreefde doel en het ingezette middel. Dat er een legitiem doel wordt nagestreefd, stelde de rechter eerder al vast: het voorkomen van overbelasting van de zorg. De verhouding tussen de coronapasverplichting en dit nagestreefde doel is ook evenredig is, nu het geen ingrijpend middel is: de maatregel sluit niemand uit van toegang tot de aangewezen locaties. Mensen kunnen zelf kiezen of ze zich laten vaccineren of met een negatief, kosteloos te verkrijgen testbewijs naar binnen willen. Van strijd met het discriminatieverbod is derhalve geen sprake.

Afsluiting

Van een onrechtmatige overheidsdaad is geen sprake. De rechter stelt vast dat  (a) ‘coronapasverplichting’ geen wettelijke basis ontbeert, dat (b) de noodzaak tot het invoeren hiervan aanwezig is en (c) dat het vragen naar een coronatoegangsbewijs in voor-publiek-toegankelijke-plaatsen als onder meer horecagelegenheden geen discriminatie oplevert. De in de Tijdelijke regeling maatregelen Covid-19  neergelegde regeling met betrekking tot het verplicht stellen van een coronatoegangsbewijs is niet onmiskenbaar onverbindend.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor De coronacrisis en het recht (deel 23)

De coronacrisis en het recht (deel 22)

De coronapas en onze grondrechten

J.G. Brouwer

Artikel 22 Grondwet verplicht de overheid tot het treffen van maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid. Om mensen te behoeden voor het covid19 virus, heeft de overheid nu 12 miljoen mensen kosteloos twee vaccinaties laten toedienen. Ervan uitgaande dat dit voorlopig voldoende bescherming biedt, zijn beperkende maatregelen met betrekking tot dit deel van de bevolking niet meer noodzakelijk.

Er zijn echter nog steeds zo’n slordige 5 miljoen mensen niet of onvolledig gevaccineerd. Voor die personen zijn er nog wel beschermingsmaatregelen noodzakelijk. De coronapas en het verplichte testbewijs voor toegang van sommige van de voor-publiek-toegankelijk-plaatsen is daartoe een eerste aanzet.

In andere landen gaat men al verder. Italië nam gisteren een wet aan die het voor alle werkgevers per 15 oktober aanstaande mogelijk maakt ongevaccineerde werknemers op de werkvloer te weigeren en de loonbetaling op te schorten.

Of het in ons land zo ver gaat komen, hangt ervan af in hoeverre ongevaccineerde mensen genegen zijn beperkingen in acht te nemen. Die bereidheid lijkt niet erg groot. Een deel van hen loopt nu al te hoop tegen de coronapas.

Die zou in strijd zijn met verschillende grondrechten: het recht op gelijke behandeling (artikel 1 Grondwet), de vrijheid van godsdienst (artikel 6 Grondwet) en het recht op onaantastbaarheid van het lichaam (artikel 11 Grondwet).

Van het beperken van deze grondrechten is echter geen sprake, nu er geen dwang tot vaccineren plaatsvindt. En van ongelijke behandeling van personen in gelijke gevallen al evenmin. Er worden slechts eisen gesteld aan de toegang tot niet-noodzakelijk te bezoeken plaatsen. De mogelijke inbreuk op grondrechten is derhalve terug te voeren op expliciete toestemming van de betrokken persoon.

Vriend en vijand in het parlement zijn het hierover eens. Niemand in de Tweede Kamer voerde het procedurele argument aan dat nieuwe wetgeving van regering en Staten-Generaal nodig is om grondwettelijk beschermde grondrechten te beperken. De coronapas wordt geregeld in een ministeriële regeling: de ‘Tijdelijke regeling maatregelen covid-19’.

Het enige grondrecht dat daadwerkelijk speelt, is de bewegingsvrijheid zoals beschermd door artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Die vrijheid  kan echter worden beperkt, althans als de in het  derde lid van deze bepaling gestelde voorwaarden in acht worden genomen: (a) een regeling; (b) voor de bescherming van de gezondheid en (c) die noodzakelijk is in een democratische samenleving.

Dit betekent dat de regering de noodzakelijkheid zal dienen te staven met cijfers. Wat gebeurt er als een deel van de niet-gevaccineerde personen alsnog in ziekenhuizen terecht komt? Die rekensommen zijn vast gemaakt. Hieruit moet voortvloeien dat er zonder de maatregel van de coronapas patiënten zullen zijn die niet over de noodzakelijke medische bijstand kunnen beschikken.

Is er dan helemaal geen kritiek mogelijk op de coronapasmaatregel? Zeker wel, de reikwijdte van de maatregel beperkt zich tot slechts enkele voor-publiek-toegankelijke-plaatsen: horecagelegenheden, theaters, stadions, evenemententerreinen en bioscoop.

Voor gebedshuizen als kerken en moskeeën geldt de maatregel niet. De regering voert als argument aan dat hiervoor een wijziging van de Coronawet nodig is. Het zou de godsdienstvrijheid beperken. Maar dat is geen dragend argument. Juist omdat die plaatsen door veel ongevaccineerden worden bezocht, is er reden om de wet te wijzigen.  

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor De coronacrisis en het recht (deel 22)

Corona en het recht (deel 21)

Avondklok op basis van Wet publieke gezondheid

                Parlementaire controle beter geborgd?

J.G. Brouwer

Inleiding

De wetgever is deze dagen druk doende een bevoegdheid te creëren voor de minister van VWS in de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 – hoofdstuk VA van de Wet publieke gezondheid – om een avondklok in te stellen. De afgelopen weken gold er een avondklok op basis van een ministeriële regeling ingesteld op basis van een wat oudere noodwet: artikel 8 Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag.

De voorzieningenrechter oordeelde echter dat dit geen juiste grondslag is (ECLI:NL:RBDHA:2021:1100). Voor de regering was dit reden om al een paar dagen later een wijziging van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (hierna Coronawet) aan de Tweede Kamer te presenteren. Als de appélrechter het vonnis bevestigt, dan is er een nieuwe wettelijke bevoegdheid om per direct een volgende avondklok in te stellen, zo is haar gedachte.

Naar aanleiding hiervan twee vragen.  Tijdens de behandeling van de aanpassing van de Coronawet op 18 februari 2021 betoogden Tweede Kamerleden bij herhaling dat de positie van de Kamers in deze wet beter is geborgd dan in de oudere noodwet. Is die stellingname juist?

En kan de regering wanneer de appélrechter het vonnis van de rechtbank bevestigt, de avondklok op basis van de nieuwe bevoegdheid ononderbroken voortzetten?

Noodbevoegdheden Coronawet

Het toepassen van noodrechtelijke bevoegdheden gaat niet zelden ten koste van democratische controle. Dat kan ook haast niet anders: een crisissituatie vraagt om een snelle en daadkrachtige aanpak. Eenhoofdige besluitvorming gaat nu eenmaal sneller dan collegiale besluitvorming.

In de wet Tijdelijke wet maatregelen covid-19 is echter afgeweken van dit uitgangspunt en een afwijkende procedure vastgelegd. Of beter gezegd, twee werkwijzen. (A) De hoofdregel is dat een  ministeriële regeling binnen twee dagen nadat zij is vastgesteld aan beide Kamers wordt overgelegd. De maatregel kan niet eerder in werking treden dan een week na deze overlegging. Indien de Tweede Kamer binnen die termijn besluit niet in te stemmen met de maatregel, dan vervalt deze van rechtswege.

(B) De tweede optie is dat een vastgestelde ministeriële regeling zoals een avondklok onverwijld na vaststelling en bekendmaking in werking treedt. Dat kan echter uitsluitend en alleen indien er sprake is van een zeer dringende omstandigheid waarin ter beperking van gevaar direct moet worden gehandeld. In zo’n geval zendt de minister de maatregel binnen twee dagen na vaststelling aan beide Kamers, voorzien van een gemotiveerde mededeling waarin de dringende omstandigheid uiteen wordt gezet. Indien de Tweede Kamer binnen een week na de toezending besluit niet in te stemmen met de maatregel, dan vervalt de regeling van rechtswege.

Kritiek op procedure in Coronawet

Op deze door de Coronawet voorgeschreven gang van zaken is de nodige kritiek geleverd. Een dergelijke werkwijze zou haaks staan op het daadkrachtig kunnen aanpakken van deze gezondheidscrisis, betoogden onder meer Wierenga, De Wijk en Bovend’Eert.

Schilder en Brouwer hebben in een gezamenlijke publicatie argumenten aangedragen waarom in deze naar zijn aard bijzondere crisis tijdsverlies voor lief kan en zelfs moet worden genomen: de instemming van het parlement moet de samenleving behoeden voor ongrondwettige maatregelen zoals die in het voorjaar bij herhaling in noodverordeningen zijn getroffen. Bovendien is huns inziens de urgentie van te nemen maatregelen een andere dan in een crisis als die van bijvoorbeeld een chemiebrand of een dijkdoorbraak. Daarin moeten bij wijze van spreken van minuut tot minuut maatregelen worden overwogen. Dat ligt bij een pandemie wat anders. Spoedeisend heeft in verband met de verspreiding van een infectieziekte een afwijkende lading en een lager tempo.

Noodbevoegdheden Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag

Laten we eerst opmerken dat de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag een wet is die net als de Coronawet door de regering in samenwerking met de Tweede en Eerste Kamer tot stand is gebracht. Deze wet is alleen wel wat ouder. De laatste ingrijpende wijziging vond plaats in 1996.

De procedure voor het gebruikmaken van de bevoegdheid in artikel 8 Wbbbg om het vertoeven in de buitenlucht te beperken, is de volgende. De slapende wettelijke bevoegdheid wordt tot leven gewekt door een Koninklijk Besluit op voordracht van de minister-president (Stb. 2021/24).

Dit kan volgens de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden in verbinding met de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag ingeval buitengewone omstandigheden hiertoe noodzaken. Wat buitengewone omstandigheden zijn, is niet gedefinieerd. Algemeen wordt echter aangenomen dat het om een situatie moet gaan waarin een vitaal belang – zoals de volksgezondheid – wordt bedreigd en de normale bevoegdheden niet toereikend zijn om deze dreiging af te wenden (Brainich).

De inwerkingstelling van artikel 8 Wbbbg maakt de regering bevoegd om bij algemene maatregel van bestuur regels te geven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid om het vertoeven in de open lucht te beperken.

In spoedeisende gevallen is de Minister van Justitie en Veiligheid bevoegd om terstond regels inwerking te stellen die het vertoeven in de avondlucht beperken. Dat laatste is gebeurd in het geval van de corona-avondklok.

Wanneer sprake is van spoedeisendheid is vooral een politiek-bestuurlijk oordeel van de regering. De rechter kan het bestuur echter corrigeren, maar naar mijn mening alleen indien het ten ene male ondenkbaar is dat sprake is van een spoedeisende situatie. Het is niet aan de rechter om de afweging volledig zelf maken. Hiervoor beschikt de rechter over onvoldoende epidemiologische en virologische kennis. De voorzieningenrechter denkt daar echter anders over. En dat geldt ook voor bijvoorbeeld Wierenga en Voermans.

Na inwerkingtreding van de ministeriële regeling dient de regering onverwijld een zogenaamde verlengingswet in te dienen bij de Tweede en Eerste Kamer. Dat is in deze kwestie pas na een week gebeurd. Dit valt niet goed te keuren. De Eerste Kamer heeft zich zelfs nog steeds niet uitgelaten over de toelaatbaarheid van de avondklok.

Anders dan bij maatregelen op grond van de Coronawet moeten beide Kamers dus instemmen. Als een van beide Kamers niet akkoord gaat,  dan is het meteen met de maatregel gedaan. Als de verlengingswet onverwijld wordt ingediend, dan kan het al na een dag afgelopen zijn met de maatregel.

Voor verlenging van de avondklok is vanzelfsprekend ook de instemming van beide Kamers vereist. Hiertoe dient de regering een nieuwe verlengings- of ook wel voortduringswet in te dienen.

Extra parlementaire inbreng

In het geval van de corona-avondklok heeft de minister vrijwillig vooraf nog instemming van de Tweede Kamer gevraagd. In feite is dit de procedure zoals die in de Coronawet is voorgeschreven. Een ruime meerderheid van 118 Kamerleden ging akkoord. Daarop is de avondklok in de Staatscourant bekendgemaakt (Staatscourant 2021, 4191) en in werking getreden op 22 januari 2021.

Vier dagen later werd het onderhavige wetsvoorstel dat strekt tot het voortduren van de werking van artikel 8, eerste en derde lid, van de Wbbbg bij de Afdeling ter advies aangeboden.

Balans opgemaakt

Als we de balans opmaken, dan valt niet goed te begrijpen waar de gedachte vandaan komt dat de regering het parlement tekort doet dan wel heeft gedaan door gebruik te maken van artikel 8 Wbbg. De regering heeft immers zowel de procedure als hierboven beschreven onder A als onder B gevolgd.

En dan vergeet ik nog bijna te vermelden dat in het geval van de Wet de buitengewone omstandigheden burgerlijk gezag niet alleen de Tweede, maar ook de Eerste Kamer de bevoegdheid bezit een einde aan de maatregel te maken. Als het goed is, zelfs onverwijld.

Bovendien, niets weerhoudt het parlement ervan om in verlengings- of voortduringswetten een maximale termijn voor de gelding van een avondklok in te bouwen. Sterker nog, in het ontwerp verlengingswet stond aanvankelijk als einddatum 10 februari 2021, 04.30 uur. Die verdween echter op aandringen van de Raad van State.

Hiermee is allesbehalve gezegd dat de avondklok op basis van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag gerechtvaardigd is. Niet geheel ongefundeerd, merkt de voorzieningenrechter op dat de Staat die maatregel beter dient te motiveren.

En ook dient de Staat beter te beargumenteren waarom er sprake is van een spoedeisende situatie. Slaagt de regering daarin niet, dan kan het zijn dat de avondklok op basis van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag ook in appél onrechtmatig wordt bevonden. De uitkomst hiervan hangt af van de intentisiteit van toetsing door het Hof.

Voor de toekomstige gelding van de avondklok zal die uitspraak geen effect hebben. Zo gauw de gewijzigde Coronawet in het Staatsblad staat, geldt de avondklok op basis van de nieuwe bevoegdheid. De wetgever heeft in een overgangsbepaling de wettelijke grondslag van de bestaande Tijdelijke regeling landelijke avondklok covid-19 eenvoudigweg gewijzigd.

Impliciet is de wetgever van mening dat er sprake is van een ‘zeer bijzondere omstandigheid waarin ter beperking van gevaar direct moet worden gehandeld’, nu de avondklokmaatregel per direct in werking zal treden.

Dit maakt het vooor de appélrechter straks lastig om te beslissen dat er eerder geen sprake was van een spoedeisende situatie, zoals bedoeld in de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Corona en het recht (deel 21)

Corona en het recht (deel 20)

Avondklokrellen: noodbevel en of noodverordening

J.G. Brouwer

Het is opvallend dat de burgemeester van Amsterdam vorige week een noodbevel afkondigde, terwijl andere – bijvoorbeeld die van Apeldoorn en Eindhoven – van een noodverordening gebruik maakten om rellen te voorkomen dan wel te bestrijden. Mag de burgemeester vrijelijk kiezen wat hij inzet? En kunnen onlusten beter bestreden worden met een noodbevel dan met noodverordening?

Lees verder
Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Corona en het recht (deel 20)

Corona en het recht (deel 19)

Wat regelt de Tijdelijk wet maatregelen covid-19

J.G. Brouwer en A.J. Wierenga

De Eerste Kamer heeft dinsdag 27 oktober de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (Twmc, ook wel Coronawet genoemd) aangenomen. Het betreft een ingevoegd hoofdstuk VA in de Wet publieke gezondheid (Wpg) vooralsnog voor  de duur van drie maanden. Hierin staan diverse bevoegdheden om ter voorkoming van de verspreiding van het coronavirus beperkende maatregelen te kunnen opleggen aan het gezonde deel van onze bevolking. De wet treedt per 1 december aanstaande in werking. Wat regelt deze wet precies?

Lees verder
Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Corona en het recht (deel 19)

Corona en het recht (deel 18)

Avondklok juridisch mogelijk?

A.J. Wierenga en J.G. Brouwer

Steeds vaker horen we dat er een avondklok gaat komen voor regio’s waar de reproductiefactor nog altijd te hoog is. De vraag die we hier behandelen is of de overheid over de bevoegdheid beschikt om een regionale avondklok in te stellen.

Lees verder
Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Corona en het recht (deel 18)

Coronacrisis en het recht (17)

Over de vrijheid van godsdienst

J.G. Brouwer en A.E. Schilder

In de ‘Noodverordening Covid-19’ zoals die sinds gisteravond 22.00 uur geldt, staat een verbod op samenkomsten. Samenkomsten in gebouwen dienen beperkt te blijven tot 30 personen. Of een verbod om te vergaderen juridisch waterdicht is, laten we in dit blog buiten beschouwing. Waar het ons hier om gaat, is dat het verbod op samenkomsten niet slaat op bijeenkomsten van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard.

Die uitzondering roept veel verzet op in de samenleving. De Hersteld Hervormde Kerk in Staphorst kan onder de nieuwe Noodverordening immers nog steeds met 600 mensen in de kerk bijeenkomen. Waarom is dit? En kunnen kerkdiensten straks onder het regiem van de ‘Tijdelijke wet maatregelen covid-19’ wel getalsmatig worden beperkt?

Lees verder
Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Coronacrisis en het recht (17)

Coronacrisis en het recht (16)

J.G. Brouwer

Discrepantie tussen de aangekondigde verboden en de Noodverordening Covid 19

Van verschillende kanten wordt erop gewezen dat er een discrepantie bestaat tussen de ‘verboden’  die (aangekondigd) staan op de overheidssite (https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2020/10/13/gedeeltelijke-lockdown-om-besmettingen-terug-te-dringen) en die in de strafrechtelijk bindende Noodverordening komen te staan. Is hier sprake van bewuste manipulatie door de overheid, wordt ons gevraagd.

Lees verder
Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Coronacrisis en het recht (16)

Coronacris en het recht (deel 15)

Critici coronabeleid juridisch stekeblind

J.G. Brouwer

De kritiek die de afgelopen twee weken over het kabinet werd uitgestort is niet mals. Wie de krantenkoppen en commentaren leest, denkt op z’n minst dat het kabinet zit te slapen.

Om maar een paar voorbeelden te noemen. ‘Winkeliers snakken naar duidelijkheid.’ Het kabinet moet een algehele mondkapjesplicht opleggen voor de publieke ruimte.

‘Kabinet grijpt hard in maar deinst terug voor een nieuwe lockdown.’ En dat is toch waar de voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care voor pleit. In sommige media is min of meer openlijk aangedrongen op het invoeren van een avondklok.

Het inmiddels overbekende Red Team vindt zelfs dat het kabinet per direct het ontvangen van bezoek thuis dient te verbieden.

Een en ander vormt voor ons aanleiding om de omgekeerde vraag te stellen: zijn het niet de critici die zitten te snurken? Is het hen ontgaan dat er de afgelopen zes maanden een intensief debat is gevoerd over de (on)grondwettigheid van tal van maatregelen in de maanden maart tot en met juni?

En zijn ze vergeten dat de Raad van State die kwestie begin juni heeft beslist in het voordeel van de preciezen: bij noodverordening mag niet langer worden afgeweken van de Grondwet.

Hebben zij gemist dat de regering vóór het zomerreces van de Kamers het wetsvoorstel ‘Tijdelijke wet maatregelen Covid-19′ heeft ingediend om in de herfst over bevoegdheden te beschikken om qua mate van ingrijpen vergelijkbare maatregelen te kunnen nemen als in het voorjaar?

En is het aan hun aandacht ontsnapt dat de Kamers naar nu blijkt in maanden juli en augustus kostbare tijd hebben verdaan om die wet te behandelen? Met als gevolg dat de slagkracht van het kabinet op dit moment tamelijk beperkt is?

Er kunnen zolang die wet niet is aangenomen slechts maatregelen worden genomen die geen inbreuk maken op door de Grondwet beschermde grondrechten. Het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer is er daar slechts éen van. Een pleidooi voor een bezoekverbod komt op dit moment daarom op z’n minst weinig democratisch over.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Coronacris en het recht (deel 15)

Coronacrisis en het recht (deel 14)

De verplichte quarantaine maatregel

J.G. Brouwer en A.E. Schilder

Vorige week kondigde de minister van VWS aan gebruik te willen gaan maken van de verplichte quarantaine maatregel om de snelle verspreiding van het Covid19 virus te voorkomen . De Wet publieke gezondheid biedt hiertoe een mogelijkheid.

De Tweede Kamer hield dit echter tegen. Het is evenwel de vraag of de Kamer wel bij machte is de inzet van dit middel tegen te houden. Het opleggen van een verplichte quarantaine maatregel is geen bevoegdheid van de minister, maar een autonome bevoegdheid van de voorzitters van de veiligheidsregio’s.

Artikel 35  bepaalt:          

  1. De voorzitter van de veiligheidsregio kan een persoon onverwijld doen onderwerpen aan de maatregel van quarantaine om de verspreiding van infectieziekten behorend tot groep A tegen te gaan, indien:

a. er redenen zijn om aan te nemen dat die persoon recentelijk een dusdanig contact met een lijder of een vermoedelijke lijder aan een infectieziekte behorend tot groep A heeft gehad, dat deze persoon mogelijk met dezelfde ziekte is geïnfecteerd,

b. ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat door verspreiding van die infectieziekte, en

c. die persoon niet tot vrijwillige onderwerping aan die maatregel bereid is.

Houdt een persoon zich niet aan de maatregel dan pleegt hij of zij een strafbaar feit waarop een fikse straf staat: € 87.000 boete of een gevangenisstraf van vier jaren.

Wat de Kamer slechts met politieke druk kan proberen tegen te houden is dat de minister van VWS  een aanwijzing – opdracht – geeft aan de voorzitters van de 25 veiligheidsregio’s om gebruik te maken van de bevoegdheid in de Wet publieke gezondheid.

In beginsel beslissen de voorzitters zelf of zij gebruikmaken van hun bevoegdheid. Een aanwijzing is hiervoor niet noodzakelijk. De minister kan de inzet van dit instrument wel verbieden door middel van een aanwijzing ex artikel 7 Wet publieke gezondheid. Maar voor een zodanige opdracht zal hij op dit moment weinig of niets voelen.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties uitgeschakeld voor Coronacrisis en het recht (deel 14)