Preventieve vrijheidsontneming potentiële terroristen: ondoelmatig en juridisch onhaalbaar

J.G. Brouwer en A.E. Schilder

In een initiatiefwet stelt de PVV voor om de minister van Binnenlandse Zaken de bevoegdheid te geven potentiële terroristen preventief op te sluiten. Burgers kunnen dan op voorspraak van de inlichtingendienst AIVD een half jaar vast worden gezet, hoewel ze nog geen strafbaar feit hebben gepleegd. Binnen een week moet een rechter zich over de juistheid van de aanhouding buigen. Die mag echter uitsluitend de formele kant van zaak toetsen: is het besluit volgens de juiste procedure tot stand gekomen. Niet of de verdachtmakingen tegen de persoon op juiste gronden zijn gebaseerd.

Preventieve vrijheidsontneming staat op zeer gespannen voet met artikel 5 EVRM en de hierover bestaande jurisprudentie van het Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg. In de Ostendorfzaak (EHRM 7 maart 2013, appl. no. 15598/08) biedt het Hof weliswaar een in tijd minieme opening voor preventieve vrijheidsontneming, maar die is aan strikte voorwaarden onderworpen.

(1) Het doel dient te zijn het voorkomen van een concreet en specifiek misdrijf naar plaats en tijd, waarvoor (2) de persoon onmiskenbaar initiatieven heeft genomen. (3) De detentie moet gericht zijn op en een directe bijdrage leveren aan het voorkomen van het in de wet vastgelegde strafbare feit. (4) Er dient sprake te zijn van een juiste afweging tussen het belang van de samenleving en het recht op vrijheid van de betrokkene. (5) Bij die afweging moet rekening worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van het geval, zoals de aard van het strafbare feit, de persoon van de gedetineerde en de specifieke omstandigheden die tot de detentie aanleiding geven, alsmede de duur van de detentie.

De toepassing van de (Duitse) Wet op de openbare orde en veiligheid in bovengenoemde zaak op basis waarvan een persoon  een aantal uren van zijn vrijheid werd beroofd, achtte het EHRM in overeenstemming met deze voorwaarden.

Of het PPV-voorstel ook aan de bovengenoemde strenge eisen zal voldoen, moet ernstig worden betwijfeld. Vooral de eerste voorwaarde vormt een onneembare horde. Maar afgezien hiervan lijkt het ons buitengewoon riskant om op basis van een vaag criterium als ‘gedragingen die in verband kunnen worden gebracht met terroristische activiteiten’ aan personen hun vrijheid te ontnemen.

De bewijslast hiervan is bovendien zodanig dat de kans dat mensen ten onrechte vast komen te zitten levensgroot aanwezig is.

Boterzachte informatie – soms niet meer dan een roddel uit de buurt – zal in de praktijk aanleiding kunnen vormen voor opsluiting. Verweer daartegen is praktisch onmogelijk is vanwege de beperkte taak van de rechter in het wetsvoorstel en het geheime karakter van de informatie. Voor de AIVD is het immers noodzakelijk haar bronnen te beschermen.

Te verwachten valt dat kwetsbare groepen in onze samenleving hierdoor onevenredig worden getroffen en hun vertrouwen in de overheid (verder) verliezen. Het is allerminst gewaagd om te veronderstellen dat men met preventieve vrijheidsontneming eerder terroristen creëert dan ze bestrijdt.

Over J.G. Brouwer

Prof. mr. Jan Brouwer is hoogleraar-directeur van het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid.
Dit bericht is geplaatst in Tijdschrift. Bookmark de permalink.