Knopen doorhakken over prostitutie aan onderhandelingstafel

C. Post

Sinds de opheffing van het bordeelverbod in 2000 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de regulering van de prostitutiesector. Als echter het in de zomer van vorig jaar door de Tweede Kamer aangenomen ‘Wetsvoorstel regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche’ ook door de Eerste Kamer wordt aanvaard, komt daar binnenkort een einde aan. De nieuwe wet voorziet in landelijke prostitutiewetgeving.

De verdere behandeling van het wetsvoorstel is de verantwoordelijkheid van een volgend kabinet. Hoe dat over het wetsvoorstel denkt, is echter onduidelijk. VVD, CDA, D66 én ChristenUnie stemden in de Tweede Kamer in 2016 in met het wetsvoorstel, maar of alle vier de partijen hier nog steeds achterstaan, is de vraag.

De effecten van de nieuwe wet zijn pas in het afgelopen jaar in volle omvang duidelijk geworden. De voorgestelde wet beperkt de ruimte voor gemeenten om een eigen invulling te geven aan het prostitutiebeleid in overwegende mate. Onder het regime van deze wet gelden landelijk uniforme vergunningseisen voor de exploitatie van een seksbedrijf die gemeentebesturen op bepaalde terreinen en onder strikte voorwaarden nader kunnen invullen. Dergelijke eisen kunnen ze niet stellen aan zelfstandig werkende prostituees. Voor hen gelden slechts regels die voor iedere andere zelfstandige werker van toepassing zijn, zoals de kapper, pedicure, huisarts enz. Of alle partijen in de Tweede Kamer zich van deze vergaande consequentie bewust waren toen zij instemden met het wetsvoorstel valt zeer te betwijfelen.

De visies van de vier beoogde regeringspartijen op prostitutie lopen sterk uiteen. Waar D66 voorstander is van een goed gereguleerde seksbranche en zich verzet tegen verdere criminalisering van de sector zoals een pooierverbod of strafbaarstelling van de klant, wil de ChristenUnie deze maatregelen juist invoeren en de legalisering van (de exploitatie van) prostitutie terugdraaien.

De bestaande impasse trekt een grote wissel op de regulering van prostitutie door gemeenten. Zij weten niet waar ze aan toe zijn. Kunnen zij voortgaan op de ingeslagen weg van strenge regelgeving op lokaal niveau? Of heeft dit geen zin omdat de Wet regulering prostitutie er toch gaat komen?

Deze onduidelijke situatie is schadelijk voor de ontwikkelingen in het prostitutiebeleid. Daarom is het noodzakelijk dat de partijen die op dit moment aan de onderhandelingstafel zitten op korte termijn een helder standpunt innemen. Na acht jaar onzekerheid hebben gemeenten daar recht op.

Over J.G. Brouwer

Prof. mr. Jan Brouwer is hoogleraar-directeur van het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid.
Dit bericht is geplaatst in Tijdschrift. Bookmark de permalink.