Huisarrest voor irritante asielzoekers luchtbel

J.G. Brouwer en A.E. Schilder

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wil asielzoekers ‘van wie we weten dat ze irritant zijn’ huisarrest opleggen tijdens de jaarwisseling. ‘Dat zijn mensen met een strafblad of mensen die de politie vaak heeft weg moeten sturen of overlast veroorzaken’, aldus de staatssecretaris in het radioprogramma ‘Dit is de dag’.

De samenleving zou een stuk leefbaarder worden als irritante personen op gezette tijden hun huis niet meer uit mogen. Het is om die reden dan ook alles behalve een nieuwe gedachte. Vele bestuurders zijn de staatssecretaris voorgegaan met dit idee van preventieve opsluiting. Maar de vraag is of er ook een juridische basis bestaat voor een zodanige maatregel?

In de uitzending sprak de bewindsvoerder over een eigen bevoegdheid. Uit een brief die hij later aan de Tweede Kamer stuurt, blijkt dat hij ook denkt aan bevoegdheden van de burgemeester. Die zou gebiedsverboden aan overlast gevende personen moeten opleggen.

Het is boven iedere twijfel verheven dat huisarrest een vorm van vrijheidsontneming is en geen vrijheidsbeperking (zie bv. ECLI:NL:CRVB:2007:BB7267).  Dit betekent dat de strenge voorwaarden van art. 15 Grondwet en art. 5 EVRM van toepassing zijn.

Onze Grondwet schrijft voor dat buiten de gevallen ‘bij of krachtens de wet bepaald’ niemand zijn vrijheid mag worden ontnomen. Een specifieke wet moet de gevallen omschrijven waarin dit is geoorloofd.

Is artikel 57 Vreemdelingenwet misschien een dergelijke wet. De bepaling verleent de Minister de bevoegdheid om een maatregel op te leggen. Systematische interpretatie van het artikel leert dat het een bevoegdheid is om de bewegingsvrijheid te beperken, niet om die ontnemen.

Mocht de staatssecretaris in deze bepaling toch een vrijheid ontnemende bevoegdheid lezen, dan zou toepassing ervan voor het door hem nagestreefde doel misbruik van die bevoegdheid opleveren. Zij wordt voor een ander doel ingezet – openbare orde en veiligheid – dan waarvoor de bevoegdheid is toegekend.

Uit artikel 5 EVRM en de hierover bestaande jurisprudentie van het Europese Hof in Straatsburg volgen eveneens strenge eisen voor huisarrest. En al helemaal voor preventieve vrijheidsontneming. In het Ostendorf-arrest (EHRM 7 maart 2013, appl. no. 15598/08) heeft het Hof hiervoor weliswaar een minieme opening geboden, maar die kan in gevallen als waarop de staatssecretaris doelt, niet worden gebruikt.

Zijn de burgemeesterlijke bevoegdheden dan wel toepasbaar? Op grond van de Gemeentewet kan geen vrijheidsontneming plaatsvinden. Dit volgt overduidelijk uit de wetsgeschiedenis. Een kleine uitzondering vormt de bevoegdheid tot ‘bestuurlijke ophouding’. Die is echter bedoeld om groepen personen gedurende maximaal twaalf uren hun vrijheid te ontnemen, onmiddellijk na het overtreden van een plaatselijke verordening in een noodsituatie. Dan moet men bijvoorbeeld denken aan volkomen uit de hand gelopen voetbalsupportersrellen.  Bestuurlijke detentie – huisarrest – in de gevallen die de staatssecretaris op het oog heeft, is ondenkbaar.

Kan de burgemeester dan wel aan een ‘irritante’ asielzoekers een gebiedsverbod opleggen? Artikel 172 lid 3 Gemeentewet geeft de burgemeester de bevoegdheid om bij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde een verbod op te leggen voor een gebied in zijn gemeente. Dat gebied mag niet het gehele grondgebied van de gemeente uitgezonderd het asielzoekerscentrum omvatten. Dit zou immers neer komen op preventieve vrijheidsontneming.

De ernstige vrees waarvan artikel 172 lid 3 Gemeentewet spreekt, moet de burgemeester goed motiveren, bijvoorbeeld met eerder gepleegde strafbare feiten. Zodanige feiten halen echter ook de grendel van de deur van artikel 172a Gemeentewet. Dat geeft niet alleen de bevoegdheid om een gebieds- of objectverbod op te leggen, maar ook een verbod om zich zonder redelijk doel met meer dan drie andere personen in groepsverband in bepaalde delen van de gemeente op te houden.

Gaat de irritante asielzoeker de jaarwisseling vieren in een andere gemeente dan heeft hij totaal geen hinder van welk verbod van de burgemeester dan ook. Die is immers alleen de baas in zijn eigen gemeente.

Over J.G. Brouwer

Prof. mr. Jan Brouwer is hoogleraar-directeur van het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid.
Dit bericht is geplaatst in Tijdschrift. Bookmark de permalink.