Coöperatie Laatste Wil in strijd met de openbare orde?

Joep Koornstra

Coöperatie Laatste Wil zet zich in voor mensen die hun eigen levenseinde wensen te regisseren. Volgens haar statutaire doelstellingen wil zij primair haar leden voorzien van informatie voor het verkrijgen van een legaal maar dodelijk middel, zonder tussenkomst van een arts, begeleider of consulent.

Een principiële vraag is of de coöperatie zich schuldig maakt aan hulp bij zelfdoding, zoals strafbaar gesteld in art. 294 lid 2 Wetboek van Strafrecht (Sr). En als dat het geval is of het Openbaar Ministerie (OM) niet om een verbod van de coöperatie moet vragen bij de civiele rechter?

Art. 294 lid 2 Sr schrijft voor dat diegene die een ander opzettelijk behulpzaam is bij zelfdoding of de middelen daartoe verschaft, strafbaar is indien de zelfdoding daadwerkelijk volgt.  De Coöperatie is erop gericht om mensen de mogelijkheid te bieden hun eigen levenseinde te regisseren, dat is evident. Maar of het verstekken van de cruciale informatie – de naam, de verkooppunten van het mortale middel – ook te kwalificeren valt als behulpzaam zijn bij zelfdoding, is de vraag. Een andere voorwaarde voor strafbaarheid is dat de zelfdoding daadwerkelijk het gevolg is van het ter beschikking stellen van de informatie. Het bewijs hiervan leveren, is geen sinecure.

Een andere ingang voor het OM is art. 140 lid 1 Sr. Op grond hiervan kunnen (rechts)personen die in een georganiseerd verband misdrijven plegen of die beogen te plegen, worden vervolgd voor deelneming aan een criminele organisatie. Het beoogde misdrijf zelf hoeft nog niet verwezenlijkt te zijn. Of het verschaffen van cruciale informatie waarmee mede een vervroegde dood mogelijk wordt gemaakt terwijl de zelfdoding nog niet is verwezenlijkt, voldoende is voor vervolging op basis van art. 140 Sr is al evenzeer een lastig te beantwoorden vraag.

Ook zou het OM op grond van art. 2:20 lid 1 en lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) de rechter kunnen verzoeken een rechtspersoon waarvan het doel en/of werkzaamheid in strijd is met de openbare orde te verbieden en te laten ontbinden. De  drempel hiervoor is in de zaak Martijn door de Hoge Raad verlaagd. Er moet sprake zijn van aantasting van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel waardoor een verbod noodzakelijk is in een democratische rechtsorde.

Vanuit zuiver privaatrechtelijk perspectief zijn er ook de nodige kanttekeningen te plaatsen bij het initiatief van de Coöperatie. Volgens art. 2:3 BW in verbinding met art. 2:53 BW is een coöperatie een rechtspersoon die haar leden in de stoffelijke behoeften voorziet krachtens af te sluiten overeenkomsten. Een overeenkomst die strekt tot levering van een middel waarmee zelfdoding kan worden gerealiseerd is naar inhoud en strekking hoogstwaarschijnlijk nietig wegens strijd met de openbare orde als bedoeld in art. 3:40 lid 1 BW.

Het faciliteren van zelfdoding met als doel de grenzen van de ‘Wet toetsing levensbeëindiging’ flink op te rekken staat immers op zeer gespannen voet met het fundamentele uitgangspunt in onze rechtsorde dat het leven beschermd dient te worden. Slechts onder strikte voorwaarden mag hiervan worden afgeweken. Willen artsen straffeloos een humaan einde kunnen maken aan een mensenleven, dan moet er sprake zijn van een ondraaglijk en uitzichtloos lijden volgens de eerder genoemde Euthanasiewet. De coöperatie wenst aan levensmoede mensen de principiële keuze te bieden om hun leven waardig te beëindigen.

Over J.G. Brouwer

Prof. mr. Jan Brouwer is hoogleraar-directeur van het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid.
Dit bericht is geplaatst in Tijdschrift. Bookmark de permalink.