Bedreiging lokaal bestuur en ondermijning

J.G. Brouwer

In een recent verschenen onderzoeksverslag van het Groningse onderzoeksbureau Pro Facto geeft bijna een kwart van alle burgemeesters aan persoonlijk te zijn bedreigd met een crimineel oogmerk. Voor de wethouders (11%)en raadsleden (8%) liggen die percentages beduidend lager. Opvallend is dat ambtenaren van de Dienst Openbare Orde &Veiligheid na de burgemeester het meest worden bedreigd (12%).

Het is verleidelijk om te spreken van een toenemend maatschappelijk verschijnsel en de verklaring hiervoor te zoeken in een samenleving die steeds crimineler wordt.  Maar of dat het geval is, weten we niet. Althans dat blijkt niet uit dit onderzoek.

Wat we wel weten is dat het takenpakket van de burgemeester de laatste jaren een metamorfose heeft ondergaan. De burgervader van weleer is getransformeerd in een moderne ‘crime fighter’. En dat zou een reden kunnen zijn voor een groeiend aantal bedreigingen van hem en zijn medewerkers van de Dienst Openbare Orde & Veiligheid.

Onder de noemer van ondermijning pakt de burgemeester tegenwoordig de meest uiteenlopende  strafbare feiten aan. Witwassen, fraude, zware mishandeling, beroving, vechterij, openlijke geweldpleging, vernieling en niet te vergeten drugscriminaliteit, om de meest voorkomende delicten te noemen.

Soms werd hiervoor een bevoegdheid  aan de burgemeester toebedeeld, omdat het Openbaar Ministerie vriendelijk bedankte voor het uitvoeren van extra taken. Een voorbeeld hiervan is de bevoegdheid om aan gewelddadige partners een tijdelijk huisverbod op te leggen. Een andere keer kreeg hij een bestuursrechtelijke bevoegdheid, omdat de strafrechtelijke aanpak niet effectief bleek.

Een voorbeeld hiervan is de bevoegdheid om drugscriminaliteit te bestrijden. De burgemeester sluit panden waarin handel plaatsvindt dan wel dreigt plaats te vinden. Inmiddels wordt die bevoegdheid zodanig ruim uitgelegd dat burgemeesters hiermee ook de productie van drugs kunnen aanpakken. En als het aan de regering ligt, kan sluiting van een pand straks zelfs bij strafbare drugs gerelateerde voorbereidingshandelingen.

Soms beschikt de burgemeester niet over een expliciete bevoegdheid om misdaad te bestrijden, maar probeert hij toch criminele praktijken een halt toe te roepen. In dat verband wordt bijvoorbeeld een bouwvergunning voor een clubhuis aan een Outlaw Motorcycle Club geweigerd of verleent de burgemeester geen toestemming voor een evenement van een zodanige vereniging.

Wie deze praktijk overziet, kan niet anders dan constateren dat de burgemeester zich tegenwoordig ten eerste vaak begeeft op het terrein van de zware criminaliteitsbestrijding. En ten tweede, hierdoor niet zelden recht tegenover zware criminelen komt te staan.

Of dit een wenselijke ontwikkeling is, is een terechte en legitieme vraag. Burgemeesters worden zelden op deze taken geselecteerd. Uitzonderingen daargelaten is men er niet voor opgeleid. En bovenal is de Dienst Openbare Orde en Veiligheid er niet op ingericht.

Anders dan een officier van justitie binnen het Openbaar Ministerie opereert een burgemeester niet anoniem. Vaak fungeert hij als boegbeeld. Onder zijn besluiten staat echter niet alleen zijn naam, maar ook die van de gemandateerde ambtenaar van de eerder genoemde dienst. Van beide is veel bekend, onder meer waar ze wonen. En dat is bijna altijd dicht in de buurt van degene die ze proberen de voet dwars te zetten.

Over J.G. Brouwer

Prof. mr. Jan Brouwer is hoogleraar-directeur van het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid.
Dit bericht is geplaatst in Tijdschrift. Bookmark de permalink.