Verbod op straatintimidatie?

J.G. Brouwer en A.E. Schilder

Inleiding

Bij de gemeenteraad van Amsterdam ligt een voorstel  om de Algemene plaatselijke verordening (Apv) uit te breiden met een bepaling die straatintimidatie moet kunnen tegen gaan. De voorgestelde bepaling luidt: Het is verboden op aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw dan wel een bijbehorend erf anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.

Probleemstelling

Het siert de initiatiefnemers dat ze opkomen tegen intimidatie. Vrouwen, als ook homoseksuelen blijken op grote schaal slachtoffer van denigrerende uitingen op straat. Onderzoek laat zien dat dit  verschijnsel de afgelopen jaren in ernst en omvang alleen maar is toegenomen (zie de speciale website over dit fenomeen: www.straatintimidatie.org). De vraag die evenwel rijst is of het Amsterdamse voorstel juridisch gezien ook houdbaar is.  Zal deze bepaling niet eenzelfde lot zijn beschoren als de eerder door de Kroon wegens strijd met art. 7, lid 3, Grondwet vernietigde verboden om te vloeken, ruwe taal of onzedelijke taal te bezigen of te vloeken in door christelijke partijen gedomineerde gemeenten? (Zie  KB 05-06-1986, Stb. 1986, 337 Vloekverbod Ermelo).

Vrijheid van meningsuiting

Art. 7 lid 3 Grondwet bepaalt dat voor het openbaren van gedachten of gevoelens niemand voorafgaand verlof nodig heeft wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.  Dat laatste zinsdeel houdt in dat alleen de wetgever – regering en Staten-Generaal –de inhoud van een boodschap kunnen beperken.

De regel lijkt volstrekt duidelijk: een gemeenteraad kan geen inhoudelijke beperkingen stellen aan uitingen. Toch weerhield het vele gemeenteraden er in het verleden niet van dit wel te proberen met de bepaling: ‘Het is verboden in het openbaar: iemand uit te jouwen, na te schreeuwen, met aanstoot gevende taal lastig te vallen (…) dan wel op andere wijze overlast aan te doen’.  Achter die laatste woorden moet worden gelezen: voor zover dit plaatsvindt door middel van roepen, schreeuwen enz.

Overtreding van deze bepaling leidde in de jaren ’90 van de vorige eeuw tot twee maal toe tot een uitspraak  waarin de Hoge Raad de desbetreffende verordening onverbindend verklaarde.  Hierdoor ging de man die een parkeerwachter de woorden toevoegde :  ‘dan duw die teringbon er maar onder, vuile kankerzak’ vrijuit (ECLI:NL:HR:1992:ZC9136) vrijuit. En dat was ook het geval met de man die een andere persoon in het openbaar de woorden ‘lelijke rotkop’ toebeet (ECLI:NL:HR:1993:ZC9229).

Ook door schelden of  najouwen worden gedachten of gevoelens uitgedrukt.  Art. 7 Grondwet beschermt in beginsel elke openbaarmaking van een –  meer of minder weloverwogen – gedachte of gevoelen, ongeacht de situatie of de motieven van degene die zich uit, aldus onze hoogste strafrechter.

Trukendoos: openbare orde

In laatstgenoemde zaak was de advocaat-generaal in zijn ‘advies’ aan ons hoogste rechtscollege van mening dat het een gemeente vrij staat om een dergelijke strafbepaling in de Apv op te nemen, mits dit gebeurt ter bescherming van de openbare orde. En dat was het geval nu de verordening in het hoofdstuk ‘Maatregelen tegen overlast’ was geplaatst.

De Hoge Raad deelde zijn opvatting echter niet. Het gegeven verbod is bedoeld ter bescherming van een persoon en niet primair ter bescherming van de openbare orde. Dit volgt uit het gebruik van het woord ‘iemand’.

Op grond hiervan oordeelde de Hoge Raad een verordening die het verbood ‘hinderlijk te schreeuwen’ een aantal jaren eerder wel verbindend (ECLI:NL:HR:1985:AC3965). De bepaling bevat geen inhoudelijk verbod, maar een verbod om meer decibel te produceren dan met gewoon praten.

Ook in Amsterdam hoopt  men met het openbare-orde argument de blokkade van art. 7 Grondwet te omzeilen. Maar ook nu zal die poging weinig kansrijk zijn. Het is duidelijk niet de bedoeling van het gemeentebestuur om geluidhinder of ander fysiek ongemak tegen te gaan. De te bestrijden overlast is een rechtstreeks gevolg van de inhoud van de boodschap die sissend, schreeuwend, roepend of hoe dan ook wordt uitgezonden. Om die reden is de APV-bepaling wel degelijk censurerend bedoeld.

Rechtszekerheid

Vermoedelijk zijn er nog meer obstakels dan artikel 7 van de Grondwet. Strafbepalingen moeten volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voldoende duidelijk zijn voor burgers om hun gedrag daarop te kunnen afstemmen.  Ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens eist dat een beperking van de vrijheid van meningsuiting voldoende voorzienbaar is. Of dat met de voorgestelde bepaling het geval is, moet ook ernstig worden betwijfeld.

Conclusie

De conclusie kan niet anders zijn dan dat de Amsterdamse conceptverordening niet levensvatbaar is. Voor diegenen die dit betreuren is er wellicht een alternatief. Straatintimidatie kan met enige goede wil gezien worden als overtreding van art. 284 Sr: strafbare dwang (K. Lindenberg, Strafbare dwang. Over het bestandeel ‘dwingen’ en strafbaarstellingen van dwang, in het bijzonder art. 284 Sr (diss. Groningen), Apeldoorn/Antwerpen: Maqklu-uitgevers 2007, p. 256). Iemand wordt zonder dat hiervoor een wettelijke bevoegdheid bestaat gedwongen om ongewenste seksuele toespelingen te ondergaan.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties staat uit voor Verbod op straatintimidatie?

Misbruik noodrecht en schending demonstratierecht bij Sinterklaasintochten

A.J. Wierenga, B. Roorda & J.G. Brouwer

De Sinterklaasintocht vormt zo langzamerhand een hoofdpijndossier voor lokale overheden. Dit (oorspronkelijke) kinderfeest verwordt meer en meer tot een gebeurtenis die vergelijkbaar is met een risicowedstrijd in het betaalde voetbal. De landelijke Sinterklaasintochten van 2014 en 2016 getuigen daarvan. Burgemeesters en officieren van justitie traden met behulp van politie onevenredig hard op tegen anti-Zwarte Piet-demonstranten, hierbij het noodrecht schendend en het recht om te demonstreren niet de ruimte gevend die het rechtens toekomt. Wij zullen uitleggen waarom.

  1. Misbruik noodrecht 

Noodverordening Maassluis en noodbevel Rotterdam

Bij de Sinterklaasintocht van zaterdag 12 november 2016 maakten de burgemeesters van Maassluis en Rotterdam gebruik van hun noodbevoegdheden. De burgemeester van Maassluis door een vooraf bekendgemaakte noodverordening uit te vaardigen, die van Rotterdam door een ter plekke aangezegd noodbevel.

Deze bevoegdheden kunnen worden ingezet bij (ernstige vrees voor) ernstige wanordelijkheden. Daarvan is sprake indien er een concrete verwachting bestaat dat bij de Sinterklaasoptocht groepen voor- en tegenstanders van de figuur Zwarte Piet – en anderen die de gelegenheid te baat nemen om te rellen, zoals hooligans – met elkaar op de vuist zullen gaan.

Een belangrijke kanttekening is dat de noodbevoegdheden niet ingezet kunnen worden ter regulering van demonstraties. Daarvoor heeft de wetgever een specifieke wettelijke regeling neergelegd in de Wet openbare manifestaties.

In de Maassluisse noodverordening en het Rotterdamse noodbevel van 12 november 2016 zijn noodmaatregelen getroffen die in strijd zijn met het recht. Op twee van die maatregelen gaan we nader in.

Vage voorschriften 

In de Maassluisse noodverordening en het Rotterdamse noodbevel is een bevoegdheid opgenomen voor de politie om een ieder die zich in het gebied rondom de Sinterklaasintocht bevindt met het kennelijke doel de openbare orde te verstoren te bevelen zich te verwijderen uit dat gebied of uit de gemeente.

Door de open norm die wordt gehanteerd, laat dit voorschrift ontoelaatbare beoordelingsvrijheid aan de politie. Wie heeft precies wanneer het kennelijke doel de openbare orde te verstoren? Vage, open voorschriften in de noodverordening die interpretatie behoeven zijn niet toegelaten.

Nog bezwaarlijker is dat bovenstaand voorschrift een nieuwe (verwijderbevels)bevoegdheid toekent aan de politie. De Rotterdamse burgemeester gaat bij het toekennen van bevoegdheden aan de politie zelfs nog een stapje verder. 

Onrechtmatige toekenning bevoegdheden

Op basis van het Rotterdamse noodbevel moeten de genoemde personen alle aanwijzingen en bevelen van de politie – gegeven in het belang van de openbare orde, de veiligheid of ter beperking van gevaar – opvolgen.

In de noodrechtpraktijk zien we dergelijke voorschriften vaker terugkomen met het doel om de politie de nodige armslag te geven bij onvoorziene, veranderende omstandigheden. Hoewel die wens begrijpelijk is vanuit praktisch oogpunt, kleven aan het opnemen van dit voorschrift onoverkomelijke juridische en praktische bezwaren.

In de eerste plaats biedt de wet hiervoor geen grondslag. Noodbevelen en noodverordeningen dienen zich volgens de wet primair te richten tot burgers. De noodbevoegdheden zijn niet bedoeld als wettelijke grondslag voor de burgemeester om aan de politie nieuwe bevoegdheden toe te kennen.

In de tweede plaats heeft de wetgever de bevoegdheden van de politie uitputtend geregeld. De burgemeester mag zich bij de handhaving van de openbare orde bedienen van de onder zijn gezag staande politie. De politie mag daarbij gebruikmaken van de bevoegdheden die de wet haar toekent. Binnen deze kaders dient zij haar taken te verrichten. Het toekennen van extra bevoegdheden aan de politie door de burgemeester is daarmee dus eveneens in strijd met het recht.

In de derde plaats leidt het tot rechtsonzekerheid voor de burger wanneer de burgemeesters van de bijna vierhonderd Nederlandse gemeenten afzonderlijk bevoegdheden kunnen creëren voor de politie. Het is dan niet duidelijk over welke bevoegdheden de politie beschikt. Dat is overigens ook voor de politie zelf verwarrend.

In de vierde plaats en laatste plaats verbiedt de wet het de burgemeester zijn noodbevoegdheden over te dragen. De burgemeester dient namelijk zelf de geboden en verboden voor burgers concreet te formuleren. De Rotterdamse burgemeester draagt echter wel een gedeelte van zijn noodbevelsbevoegdheid over. Dit werkt onbepaaldheid van de geldende noodmaatregelen in de hand.


Conclusie: misbruik noodrecht 

Voorschriften waarin bevoegdheden aan de politie worden toegekend kunnen om verschillende redenen niet worden opgenomen in een noodbevel of een noodverordening. Door het opnemen van bepalingen van deze aard worden geen geboden of verboden opgelegd aan de burger; het voorschrift richt zich niet tot de door de wetgever beoogde normadressant. De bevoegdheid wordt daarmee voor een ander doel gebruikt dan waarvoor zij is toegekend.

Daarnaast wordt inbreuk gemaakt op de uitputtende wettelijke regeling van de bevoegdheden van de politie. Voorts komt de rechtszekerheid in het gedrang; het is voor de burger niet meer voorzienbaar over welke bevoegdheden de politie beschikt. Het opnemen van ruime bevelsbevoegdheden voor de politie kan daarnaast de onbepaaldheid van de noodvoorschriften in de hand werken en is in strijd met het delegatie- en mandaatverbod.   

  1. Schending demonstratierecht

Sinterklaasintocht 2014 

Bij de landelijke Sinterklaasintocht van 2014 in Gouda wensen zowel voor- als tegenstanders van de figuur Zwarte Piet te demonstreren. Van de burgemeester mogen ze dat, maar niet op het Plein waar de Sint wordt ontvangen.

Als een groep anti-Zwarte Piet-demonstranten de gestelde beperking negeert, houdt de politie hen aan. Geweld wordt hierbij niet geschuwd. In het verzet van een van de demonstranten ziet het Openbaar Ministerie de strafbare feiten weerspannigheid en mishandeling van een ambtenaar in functie.

Demonstratierecht geschonden

De strafrechter oordeelt dat de demonstrant weliswaar strafbaar heeft gehandeld, maar dat hij geen straf krijgt omdat de aanhouding onrechtmatig was. Het enkele feit dat de demonstranten op de verkeerde plek betoogden, is gelet op de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens geen reden voor aanhouding, volgens de rechtbank.

Of een demonstratie beëindigd mag worden – de facto had de massale aanhouding dit tot gevolg – dient beoordeeld te worden aan de hand van de vraag of dit noodzakelijk is in het licht van de drie doelcriteria die de wet daarvoor biedt. Er dreigden echter geen wanordelijkheden, noch bestond er een gevaar voor de gezondheid of het ordelijk verloop van het verkeer. De bevoegdheid om de betoging te beëindigen was volgens de rechter dan ook niet aanwezig.

Sinterklaasintocht 2016 

Om ongeregeldheden zoals in Gouda te voorkomen, vaardigt de burgemeester van Maassluis voorafgaand aan de landelijke Sinterklaasintocht een noodverordening uit. De politie kan een persoon die zich niet houdt aan de hierin verordonneerde gedragsaanwijzingen eenvoudig oppakken. De demonstranten krijgen plekken aangewezen langs de route van de Sinterklaasintocht waar ze mogen demonstreren.

Voor de demonstranten is dit reden om hun werkterrein te verleggen naar Rotterdam. Als de burgemeester van die gemeente hiervan lucht krijgt, vaardigt hij aan de vooravond van de intocht een demonstratieverbod uit voor het centrum van Rotterdam, althans voor zover een betoging verband houdt met de Sint. En ook hij vaardigt noodmaatregelen uit. De burgemeester zegt ernstig te vrezen voor ernstige wanordelijkheden, vooral ook nu er geen kennis is gegeven van de demonstratie en hij hierdoor minder goed in staat is om een en ander in goede banen te leiden. Ook zou hij over onvoldoende politiecapaciteit beschikken nu veel politie naar Maassluis zou afreizen.

Als de demonstranten de volgende dag daadwerkelijk in Rotterdam verschijnen om hun protest tegen Zwarte Piet te laten klinken, houdt de politie alle 200 demonstranten aan wegens overtreding van het noodbevel.

Demonstratierecht opnieuw geschonden 

Het handelen van de Rotterdamse burgemeester is in strijd met de Wet openbare manifestaties. Die biedt niet de bevoegdheid om demonstraties naar inhoud te verbieden. De burgemeester dient vanwege het verbod van censuur ver weg te blijven van de inhoud.

De beëindiging van de demonstratie is al evenzeer een ontoelaatbare inbreuk op het grondwettelijke betogingsrecht. Indien er onvoldoende politie beschikbaar is, kan dat een bestuurlijke overmachtssituatie opleveren die een demonstratieverbod rechtvaardigt. Die situatie deed zich in Rotterdam evenwel niet voor. Er waren meer dan voldoende politieagenten op de been, zelfs zoveel dat zij alle 200 demonstranten individueel konden aanhouden.

Het niet-voldoen aan de voorafgaande kennisgevingplicht, noch het handelen in strijd met een verbod of opgelegde beperking, is een zelfstandige grond voor beëindiging van een demonstratie of aanhouding van demonstranten. Uit nationale en internationale rechtspraak alsook uit wet- en regelgeving volgt dat dit uitsluitend is toegestaan wanneer dit noodzakelijk is ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden dan wel in het licht van een van de andere doelcriteria: gezondheidsbelangen of verkeerschaos. Uit video-opnames blijkt dat veel demonstranten geen enkele aanleiding gaven tot ongeregeldheden van welke aard dan ook.

  1. Slotopmerking 

In veel gemeenten komt de Sint vanmiddag met zijn knechten aan. Hier en daar zal dit reden zijn om te demonstreren. Hopelijk wordt er met het recht om dit te doen zorgvuldiger omgesprongen dan bij eerdere Sinterklaasintochten.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties staat uit voor Misbruik noodrecht en schending demonstratierecht bij Sinterklaasintochten

OM kansrijk in zaak tegen Bandidos

Het Openbaar Ministerie heeft bij de Rechtbank Midden Nederland een verzoek ingediend om de Outlaw Motorcycle Gang Bandidos te verbieden en te ontbinden. Het betreft een verzoek op basis van artikel 2:20 BW. Hierin staat dat de rechtbank een rechtspersoon – zoals een vereniging – kan verbieden indien de ‘werkzaamheid in strijd is met de openbare orde.’

Volgens het OM is hiervan sprake: leden van Bandidos plegen structureel ernstige strafbare feiten die georkestreerd worden door de leiding van de motorclub.

Het verzoek heeft gezien de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak Martijn in 2014 een goede kans van slagen. Hierin voer de cassatierechter op het kompas van het Europese Hof voor de Bescherming van de Rechten van de Mens (EHRM) , met name het arrest Vona/Hongarije.

De Hoge Raad besliste dat de rechter voortaan moet onderzoeken of het verbod en de ontbinding van de rechtspersoon noodzakelijk zijn in een democratische samenleving, in het belang van de bescherming van de gezondheid of de openbare orde of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dat is de maatstaf van artikel 11 Europees Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM).

Aan dit criterium wordt volgens het EHRM in een uitspraak van 27 oktober 2016 sneller voldaan, indien het niet gaat om een politieke partij (Les Authentiks et Supras Auteuil 91 t. Frankrijk – 4696/11 et 4703/11). Het EHRM keurde de ontbinding van deze twee supportersverenigingen van de Franse voetbalclub Paris-Saint-Germain goed, nadat was vastgesteld dat enkele leden van deze verenigingen zich gezamenlijk schuldig hadden gemaakt aan het herhaaldelijk vernielen van eigendommen en geweld tegen personen. In 2010 leidde dit zelfs tot een dode.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties staat uit voor OM kansrijk in zaak tegen Bandidos

NAM NIET LANGER ALLEEN AANSPRAKELIJK VOOR AARDBEVINGSSCHADE

Op 6 oktober 2016 wees de Aardbevingskamer Rechtbank Noord Nederland een belangwekkend vonnis. Niet zo zeer, omdat de rechter in deze schadezaak uitgaat van een ‘bewijsvermoeden’. De gaswinnende partijen moeten maar aantonen dat de ingetreden schade niet het gevolg is van de gasexploitatie.

En evenmin baanbrekend omdat de gas exploiterende partijen de getroffen boerderij moeten nemen zoals die is. Voor de causaliteitskwestie doet het er niet toe of de boerderij een zwakke of sterke fundering had, noch of er sprake is van geen of veel achterstallig onderhoud.

Beide uitkomsten waren al voorspeld in een special van het Nederlands Juristenblad van 3 juli 2015 (Oldenhuis, p. 1724 e.v.) .

Het grensverleggende element in dit vonnis schuilt in de overweging dat niet alleen de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), maar ook Energie Beheer Nederland (EBN) volledig aansprakelijk is voor bevings- en bodemdalingsschade ex artikel 6:177 Burgerlijk Wetboek.

EBN is eigendom van de Staat der Nederlanden. EBN bepaalt samen met de NAM in de Maatschap Groningen de exploitatie en het beheer van het Groningen gasveld. Via EBN deelt de Staat mee in de opbrengsten van de gaswinning (zie schema). Voor deze indirecte staatsdeelneming koos men indertijd op verzoek van de beide mijnbouwbedrijven SHELL en ESSO. Olieproducerende landen mochten niet het idee krijgen dat zij een belangrijke stem zouden kunnen hebben in de exploitatie van hun natuurlijke hulpbronnen.

gasgebouw

 

De directe consequentie van het vonnis is dat aardbevingsslachtoffers voortaan niet meer één maar twee partijen kunnen aanspreken: NAM en EBN. EBN wordt gezien als mede-mijnbouwondernemer, zoals in de eerder genoemde NJB-special ook al is betoogd (Brouwer en Hesselman, p. 1716 e.v.).

Dit betekent dat EBN (lees: de Staat) verplicht is een jaarlijkse bijdrage in het krachtens artikel 135 Mijnbouwwet verplicht gestelde ‘Waarborgfonds mijnbouwschade’ te storten. En misschien ook nog voor de voorbije jaren. Maar dan ligt het voor de hand de schadeafhandeling voortaan niet meer langs privaatrechtelijk weg op basis van door het Centrum voor Veilig Wonen opgestelde regels te laten plaatsvinden. Schadeafhandeling zal haar beloop moeten gaan krijgen op basis publiekrechtelijk opgestelde algemeen verbindende voorschriften via dit ‘Waarborgfonds mijnbouwschade’.

Als de overheid niet extra zou moeten gaan bijdragen aan de schadeloosstelling, dan zouden we van een win-winsituatie kunnen spreken. De NAM staat immers in overeenstemming met een breed gedragen wens in de Kamer op afstand van de schadeafhandeling en de overheid krijgt volledig greep. Bovendien wordt de rechtszekerheid van burgers sterk bevorderd.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties staat uit voor NAM NIET LANGER ALLEEN AANSPRAKELIJK VOOR AARDBEVINGSSCHADE

Politievakbond wil bevoegdheid tot preventieve hechtenis

Politievakbond ACP pleit voor een bevoegdheid om in te kunnen grijpen bij sociale onveiligheid. Iemand zou preventief in hechtenis moeten kunnen genomen om ‘af te koelen’. De politievakbond staat een afkoelingsperiode van 24 uur voor ogen.

Het voorstel is een reactie op de maatregelen die de burgemeester van Zaandam, Justitie en politie aankondigden naar aanleiding van de overlast in de wijk Poelenburg.

Het gaat de vakbond echter niet alleen om deze specifieke situatie. ‘Het komt vaak voor dat dit soort groepen en individuen zich op het randje begeven van wat strafbaar is en wat niet. Ze kennen de wetgeving goed en weten dus wat ze nog net kunnen maken. De politie kan dan niets doen, maar de burger heeft er wel last van’, aldus de woordvoerder van de politievakbond.

Eerder lanceerde de politie deze wens naar aanleiding van de grootschalige oudejaarsrellen in het Brabantse Veen. Toen werd misbruik gebruikt van strafvorderlijke bevoegdheden om relschoppers tijdelijk van de straat te houden.

Die gebeurtenissen vormden voor het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid reden om onderzoek te doen naar een dergelijke nieuwe bevoegdheid. De resultaten van dit onderzoek werden gepubliceerd in: Preventieve hechtenis in Veen: Over de voorkoming en bestrijding van groepsgeweld. Nederlands Juristenblad NJB, 2014(16), 1105-1110. [NJB 2014/804]. (Zie hieronder)

Lees verder

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties staat uit voor Politievakbond wil bevoegdheid tot preventieve hechtenis

Demonstrerende voetbalsupporters

Het rapport ‘Demonstrerende voetbalsupporters’ is tot stand gekomen op verzoek van de Nationale ombudsman. Het bevat de bevindingen van mr. B. Roorda en mr. A.J. Wierenga over het handelen van de burgemeester van de gemeente Rotterdam, de officier van justitie en de onder hen ressorterende politie voorafgaand aan, tijdens en na afloop van de protestmars die voorafging aan de voetbalwedstrijd Feyenoord – Roda JC op zondag 21 februari 2016.

Roorda en Wierenga zijn werkzaam als onderzoekers bij het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid van de Rijksuniversiteit Groningen.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties staat uit voor Demonstrerende voetbalsupporters

De lokale invulling en uitwerking van het uniforme vergunningstelsel voor seksbedrijven

C. Post

In 2009 diende de regering het wetsvoorstel Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (hierna: Wrp) in bij de Tweede Kamer.[1] Het wetsvoorstel richtte zich in hoofdzaak op de bestuurlijke regulering van de prostitutiebranche en de bestrijding van misstanden.[2] De registratieplicht voor prostituees, de invoering van een uniform vergunningstelsel voor seksbedrijven en de strafbaarstelling van de klant die gebruik maakt van illegale prostitutie waren de belangrijkste pijlers van dit wetsvoorstel.[3]

Nu bijna zes jaar verder is het wetsvoorstel nog altijd geen wet. Tijdens de parlementaire behandeling rezen er bezwaren tegen belangrijke onderdelen. Over nut, noodzaak en juridische houdbaarheid van de registratieplicht voor prostituees alsmede de strafbaarstelling van klanten bestonden ernstige twijfels.[4] Zelfs nadat de minister liet weten bereid te zijn de strafbaarstelling niet in werking te laten treden,[5] bleken de bezwaren van de Eerste Kamer tegen de registratieplicht voor prostituees onoverkomelijk. Zij verzocht de regering het wetsvoorstel te splitsen zodat de uniforme vergunningplicht voor seksbedrijven voortvarend ter hand kon worden genomen.[6]

Op 1 maart 2014 kwam de regering hieraan tegemoet met het wetsvoorstel Wijziging van de Wrp.[7] In dit wetsvoorstel komt de registratieplicht voor prostituees en de strafbaarstelling van de klant niet meer voor. Het voorstel richt zich nu vooral op de invoering van een uniform vergunningstelsel voor seksbedrijven. Begin juni 2016 zal de Tweede Kamer de parlementaire behandeling over dit wetsvoorstel voortzetten.

In dit artikel staat de vraag centraal welke vrijheid gemeentebesturen nog hebben voor een eigen prostitutiebeleid binnen het uniforme vergunningstelsel voor seksbedrijven. Ik ga in op hoe deze vrijheid zich verhoudt tot het doel van het uniforme vergunningstelsel. Alvorens antwoord te geven, besteed ik aandacht aan de aanleiding, het doel en de inhoud van het stelsel.

Lees verder

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties staat uit voor De lokale invulling en uitwerking van het uniforme vergunningstelsel voor seksbedrijven

Cannabis Clubs

L.M. Bruijn

Wel of geen legalisering van cannabis? Aan deze discussie lijkt geen einde te komen. Eind april weidden de Verenigde Naties er een speciale sessie aan (UNGASS). Velen hoopten op een ‘policy reform’, de slogan ‘War on Drugs’ zou moeten worden veranderd in ‘World on Drugs’. Voor hen was de uitkomst teleurstellend: weliswaar moet er meer aandacht komen voor volksgezondheid, maar legalisering is niet aan de orde.

We zullen ons daarom voorlopig moeten redden met de bestaande verdragen en met de dientengevolge gebrekkige nationale regelgeving van nu. Deze regelgeving levert stof voor interessante juridische vraagstukken. De juridische kwestie die voorwerp is van deze bijdrage is de status van de Cannabis Club. Lees verder

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties staat uit voor Cannabis Clubs

Selectieve verontwaardiging over de vrijheid van meningsuiting

J.G. Brouwer en B. Roorda

‘Nederland buigt voor de nieuwste aanval van Turkije op Europese democratische vrijheden’, kopte een veel gelezen ochtendkracht vorige week. Gedoeld wordt op hoe president Erdogan van Turkije opnieuw de vrijheid van meningsuiting aan banden legt door een Nederlandse journaliste te arresteren.

Vrijheid van meningsuiting is al eeuwenlang een groot goed in de Nederlandse rechtstaat. De woorden ‘Niemand heeft voorafgaand verlof nodig voor het openbaren van gedachten en gevoelens’ vormen een prominent onderdeel van artikel 7 Grondwet. Het gaat om niets meer en niets minder dan een censuurverbod.

Dit betekent dat de overheid vooraf geen invloed mag uitoefenen op de inhoud van een boodschap, laat staan die verbieden. Pas achteraf kan iemand door het Openbaar Ministerie ter verantwoording worden geroepen als het om een strafbare meningsuiting gaat. Dat optreden wordt gelegitimeerd door de democratisch vastgestelde wet. Daarin heeft de wetgever een beperking aangebracht op de vrijheid van het woord die wij met zijn allen hebben goedgekeurd.

Een andere mogelijkheid is dat dat de burgemeester de vrijheid van meningsuiting beperkt. Dat kan hij echter – juist in verband met het censuurverbod – nooit op inhoudelijke gronden doen. Niet vooraf, niet tijdens en niet achteraf. Hij kan uitsluitend en alleen het brengen van een boodschap verbieden, indien er wanordelijkheden uitbreken of indien de burgemeester vreest dat dit gaat gebeuren.
Die vrees moet de burgemeester dan wel zwaar motiveren en aantonen dat hij niet over voldoende politie beschikt om de uiting doorgang te laten vinden. Anders zou die angst alsnog een goedkoop smoesje van de burgemeester kunnen zijn om onwelgevallige meningen vooraf te verbieden.

Niettemin gebeurt het met de regelmaat van de klok dat burgemeesters dit rechtstatelijke uitgangspunt aan hun laars lappen. Recentelijk nog legde een burgemeester een spreekverbod op aan zeven imams op inhoudelijke gronden. En beëindigde een andere burgemeester een optreden van vier rechts-extremistische bands in een ontmoetingscentrum met als argument dat het gedachtegoed de meerderheid van de inwoners van zijn gemeente niet aanstond.

Dit lijstje valt moeiteloos uit te breiden. Ook met voorbeelden waarin de burgemeester de vrijheid om te demonstreren beknot, waarvoor in beginsel dezelfde uitgangspunten gelden in ons recht. De burgemeester van onze hoofdstad stelde eind februari bijvoorbeeld een preventief verbod op het tonen van het hakenkruis tijdens een demonstratie, ook al wilden de demonstranten het symbool weergeven op een wijze waarmee zij aangaven zich te distantiëren van het nazisme . Het zou aanstootgevend zijn volgens de burgemeester. Mocht het al om een strafbaar feit gaan – quod non – dan kan het Openbaar Ministerie hiertegen tijdens of achteraf optreden. De burgemeester is hiertoe echter niet bevoegd.

Ook komt het tegenwoordig voor dat een burgemeester een demonstratie integraal verbiedt vanwege de inhoud. Vaak door middel van een noodbevel. We zien dit de laatste tijd nog wel eens in verband met een aangekondigd protest tegen de komst van een AZC. Formeel heet het dan dat de betoging niet is aangemeld bij de burgemeester, maar dat kan gezien internationale rechtspraak geen reden zijn voor een verbod.

Van een kritische houding in de pers valt meestal weinig te merken. De reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting mag echter niet afhangen van de inhoud van de boodschap. Dat is nu juist de essentie van die vrijheid van meningsuiting.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties staat uit voor Selectieve verontwaardiging over de vrijheid van meningsuiting

Dieven aan de schandpaal

In het filiaal van een winkelketen in Groningen hangen sinds kort voor iedere bezoeker zichtbaar foto’s op van winkeldieven. Of zoals de winkeldirectie ze zelf aanduidt: ‘Mensen die zijn vergeten te betalen’. Het verschijnsel is nieuw, noch plaatselijk. Het komt al jaren in heel Nederland voor.

Het wordt gerekend tot de privaatrechtelijke ordehandhaving. Daar waar de overheid geen adequate hulp biedt dan wel kan bieden, gaan burgers zelf de gaten die vallen opvullen. Niet voor niets kennen we in Nederland tegenwoordig zo’n 35.000 particuliere beveiligers. Dat is bijna net zo veel als het aantal operationele politieagenten.

De vraag is echter of het publiceren van een foto met daarop duidelijk herkenbaar het gezicht van een dief rechtens toelaatbaar is.

RTV Noord maakte van deze problematiek een stelling voor het programma ‘Lopend Vuur’ waarover luisteraars hun mening konden geven: ‘Winkeldieven verspelen hun recht op privacy’. Bijna 90 procent van de net geen 4000 respondenten vindt dat de winkelactie toelaatbaar is. De uitslag van deze enquête verbaast niet. Een mens is al snel geneigd te denken: eigen schuld, dikke bult.

Volgens een woordvoerder van het Openbaar Ministerie (OM) Groningen is het niet illegaal om mensen zo aan de schandpaal te nagelen. ‘Het is wel onwenselijk, maar het materiaal is van de directie zelf. Zij besluit er mee naar buiten te komen. Dat is niet strafbaar, maar het is niet de richting die we op moeten. Wat we natuurlijk het liefst hebben is dat deze foto’s, bij de politie terechtkomen. Daarvoor is de politie’, aldus het OM.

Wij denken dat het recht op dit punt wat strikter is. De Auteurswet verbiedt het om een portret zonder toestemming openbaar te maken ‘voor zoover een redelijk belang van den geportretteerde (…) zich tegen de openbaarmaking verzet.’

In de rechtspraak wordt de vraag van ‘een redelijk belang’ beantwoord door middel van een belangenafweging. Het belang van de geportretteerde is evident: het is niet alleen vernederend om zo in het nieuws te komen, maar het kan ook vergaande gevolgen hebben tot lang na het strafbare feit.

Het belang van de winkeldirectie is minder duidelijk. Zij kan de mensen die ‘vergeten’ zijn af te rekenen voortaan de toegang tot de winkel ontzeggen. Een lijstje met foto’s voor het dienstdoende personeel is dan voldoende. De publicatie van de foto’s voegt weinig of niets toe.

Een redelijk denkende rechter zal daarom het belang van de geportretteerde zwaarder wegen.
In de rechtspraak wordt terughoudend gevorderd bij de publicatie van portretten van verdachten van strafbare feiten. Ook omdat een verdachte voor onschuldig moet worden gehouden totdat in rechte zijn schuld is komen vast te staan. Die bepaling staat niet voor niets in het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens.

Door voorbarig foto’s te publiceren zijn er in het verleden complete levens verwoest. Dat is nu juist een van de redenen waarom de strafvervolging in een beschaafd land is overgedragen aan een gespecialiseerd bestuursorgaan. Het maakt de kans op fouten geringer.

Geplaatst in Tijdschrift | Reacties staat uit voor Dieven aan de schandpaal